Achter het dagelijkse huist iets bijzonders

Lessen van mijn moeder Deze week vertellen auteurs wat zij van hun moeder leerden. Vandaag: schrijver en historicus Daniela Hooghiemstra . „Het gaat niet om wat er in het echt gebeurt, maar om de betekenis die je eraan geeft.”

Ik heb de vraag als interviewer vaak gesteld, maar merk nu pas hoe moeilijk het is te antwoorden. Mijn moeder is niet gelovig, maar ik vind haar wel religieus van aard. Zelf vindt ze dat dat wel meevalt, maar om haar voorliefde voor symboliek en ritueel kun je niet heen. Haar huis is een heiligdom, haar tuin een paradijs. In vormgeving gaat veel tijd zitten. Als ze een verhaal vertelt, husselt ze soms met feiten, bewust of onbewust, we zullen het nooit weten. Het gaat om het verhaal, vindt zij, en de interne logica klopt, daar kun je op rekenen. Dus onderbreek haar nu even niet met: „maar toen waren we helemaal niet in Spanje”.

Achter het gewone, zichtbare, gaat nog een essentie schuil, leerde ik.

Eind jaren zeventig vond mijn moeder het tijd dat wij het kerstverhaal vernamen. Dat kenden wij niet, mijn zusje en ik gingen naar de Kees Boeke-school, opgericht door een man die geloofde dat de waarheid in ieders eigen hart schuilt. Als mijn vader het atheïsme nog uit had kunnen vinden, zou hij dat gedaan hebben. Maar mijn zusje en ik zouden toch op zijn minst moeten begrijpen waarom we Kerst vierden, vond mijn moeder. Mijn vader las zo snel als hij kon, hap, slik weg, volgende zin. Hij deed zijn best om er ernstig bij te kijken. Totdat ik vroeg: „Wat is het enkelvoud van kudde?” Mijn vader klapte de Bijbel dicht en ook mijn moeder zag in dat het te laat was.

Na de oorlog teruggekeerd uit Indië, was het wennen voor haar in Holland. „Kind, we kijken niet om”, had haar moeder op de boot gezegd. Dat was inderdaad beter. Maar mystiek en moraal zaten daarginds in het drinkwater, terwijl het geweten hier georganiseerd werd per ‘zuil’. Gereformeerd? Katholiek? Hervormd? Wist zij veel. Iets liberaals waarschijnlijk, maar dan miste ze daarin toch weer een zeker ‘je ne sais quoi’. Noem haar geen moralist, dan wordt ze boos. Maar een beetje boven het basale uitstijgen, lijkt haar niet te veel gevraagd. De eed die ze als ‘kabouter’ bij de padvinderij aflegde om ‘goed te zijn voor planten en dieren’, noemt ze een vormend moment.

Na de scheiding, die zoals dat heet: voor iedereen het beste was, ging ze kunstgeschiedenis studeren. Een zeventiende-eeuws genrestuk van moeder met kind leek misschien een gewoon tafereeltje, maar let op, het kammen van haar stond voor het uitbannen van het kwaad. Dat hondje stond voor trouw en aan die oester herkende je een prostituee. Achter het gewone, zichtbare, gaat nog een essentie schuil, leerde ik. Het gaat niet om wat er in het echt gebeurt, maar om de betekenis die je eraan geeft. Soms zocht zij die ook voor mij: een meesterlijke blokfluiter was ik in haar ogen. Alles kon, in principe, als je er zelf maar in geloofde. Maar als het op rituelen aankwam, kon ze ineens streng worden. Je verjaardag vier je op de dag zelf, anders is het de Goden verzoeken en de messen moeten rechts liggen, met de scherpe kant naar binnen. Niet in alles kon ik haar volgen, maar aan de gedachte – of misschien moet ik het toch een geloof noemen – dat achter het dagelijkse iets bijzonders huist, dank ik levensmoed en nieuwsgierigheid.