Eindelijk mag je gapen en slapen in het Concertgebouw

Acht uur slaapmuziek

Max Richter schreef met zijn acht uur durende Sleep geen muziek om naar te luisteren, maar om te ondergaan. Met 250 veldbedden in de Grote Zaal beleefde het Concertgebouw in de nacht van zaterdag op zondag zijn eerste sleep-in.

Publiek tijdens "Sleep". Foto Milagro Elstak

Max Richter tijdens “Sleep”. Foto Milagro Elstak

To sleep or not to sleep? Dat is de vraag, gedurende het concert in de nacht van zaterdag op zondag van de Britse componist Max Richter (51). Gapen, indommelen en slapen behoren gewoonlijk tot de doodzondes in het Concertgebouw, maar deze nacht treden zeven musici op in de Grote Slaap Zaal. Voor de bezoekers staan 250 veldbedden klaar. Want Richter speelt er het acht uur durende stuk Sleep, zijn „persoonlijke wiegelied voor een dolgedraaide wereld”. Piano, strijkers, orgel, synthesizer en stem beogen met behulp van elektronica binnen te dringen het slapende brein. Hoe muziek inwerkt op het bewustzijn is een fascinatie van de componist.

Via de noordingang komt een man in pyjama en kamerjas binnen, daaronder gewone schoenen. Hij woont immers om de hoek. Op de stretchers liggen zelf meegebrachte dekens en slaapzakken in vele soorten en maten. Buurvrouw Nel ligt onder het Ajax-dekbed van haar zoon, want iets anders eenpersoons kon ze thuis niet vinden. Er lopen deze nacht mensen straffeloos en zonder schaamte in T-shirt, boxershort en op sokken door de gangen. Op het balkon, waar nog de nodige zitplekken zijn verkocht, bungelen een paar benen over de rand boven de naam van de Amsterdamse muzieklegende Julius Röntgen. Iemand heeft het zich gemakkelijk gemaakt. Een vrouw in een bijna lichtgevende witte peignoir spoedt zich nog even naar buiten. „See you on the other side”, glimlacht Max Richter.

Melkboer

Publiek in het Concertgebouw. Foto Milagro Elstak

Hij begint alleen op de vleugel, veertig aanslagen per minuut, in een ijzeren herhaling, ruim twintig minuten lang, vermoedelijk om de hartslag van de bezoekers in slaapstand te krijgen. Strijkers, zang, elektronica zijn allemaal dienstbaar aan Richters karakteristieke minimalistische stijl. Als tiener maakte hij kennis met deze muziek, dankzij de melkboer, een kunstenaar die gedurende de crisisjaren onder premier Margaret Thatcher op een andere manier in zijn levensonderhoud moest voorzien. Hij hoorde op een ochtend de jonge Richter piano spelen. Nadien stopte hij regelmatig een langspeelplaat van Terry Riley of Philip Glass tussen de flessen.

Richter volgt met zijn compositie de vier slaapstadia, van het dommelen, via de twee fasen van verdiepende slaap, tot en met de rusteloze REM, waarin ogen en hersenen ongewoon druk zijn. Deze cyclus voltrekt zich zo’n vier tot zes keer per nacht. Richter bedient zich daarom van variaties die regelmatig terugkeren. Tot die vorm liet hij zich inspireren door de Goldbergvariaties, die Johann Sebastian Bach schreef voor een graaf die niet durfde te slapen, uit angst dat hij nooit meer zou ontwaken.

Slaap

Publiek tijdens “Sleep”. Foto Milagro Elstak

Wat is slapen? Is het een wegzinken? De basnoten maakt het hoofd zwaar. Maar wanneer die wijken voor de klimmende lijnen van de sopraan zweeft de geest plotseling vrijelijk in het niets. Het is dalen en stijgen, zoals het ademen.

Slapen of niet slapen? is de eerste vraag bij Sleep. Muziek of geen muziek? luidt de tweede. Technische gezien wel. Want zoals letters woorden en taal vormen, zo groeien in Sleep uit noten maten en ten slotte muziek. Niettemin is er iets vreemds met dit werk: het is niet bedoeld om naar te luisteren, maar om te ondergaan.

Je zou kunnen betogen dat Max Richter teruggrijpt op oude muziektradities, waarbij het zingen meer ging om vorm dan inhoud, om het voelen van saamhorigheid, het bezweren van angst, en het ervaren van het mysterie. Bij Richter klinkt de muziek niet in de slaapkamer, zij wordt de slaapkamer zelf. Luisteren naar Sleep blijkt zinloos, omdat dit werk niets wil vertellen. De muziek onttrekt zich aan onze manier van kijken en luisteren. Zij is zoals de slaap, een toestand tussen zijn en niet-zijn. En dat roept tot slot een aloude Shakespeareaanse vraag op: „To be or not to be?”