Column

Hé, eindelijk weer eens nieuws uit Suriname in de krant

Heel soms lijkt het of er eigenlijk maar twee soorten Nederlandse journalisten zijn: Amerika-kenners en Suriname-kenners. Ook NRC Handelsblad stuurde in de loop der jaren een hele reeks verslaggevers naar het voormalige rijksdeel, waar het ook een vaste correspondent had (wijlen hoofdredacteur Leo Morpurgo van De Ware Tijd, die dagelijks de nationale notulen faxte). Sommigen kwamen verbaasd of cynisch terug, anderen hielden er een levenslange band met het land aan over. Redacteur Hans Buddingh’ schreef De geschiedenis van Suriname, nu een standaardwerk. Een van de eerste online initiatieven van NRC was, in 1997, zowaar een ‘dossier Suriname’.

Geen wonder, want Suriname was aanlokkelijk, zeker voor journalisten met aanleg voor tiersmondisme: Nederlandstalig (altijd makkelijk), dunbevolkt en toch complex, exotisch en toch vertrouwd. Daar kwam de schijnbaar overzichtelijke tegenstelling tussen dictatuur (Bouterse) en verzet (Brunswijk) nog eens bij.

Maar terwijl Amerika-kenners niet meer van het scherm te branden zijn, zie je de Suriname-kenners alleen nog op hoogtijdagen. De twee landen zijn journalistiek uit elkaar gegroeid.

Gelukkig was er onlangs zo’n hoogtijdag: tegen president D.D. Bouterse, ooit student aan de Koninklijke Militaire School te Weert, werd twintig jaar onvoorwaardelijke celstraf geëist wegens de moord op vijftien politieke tegenstanders in 1982. Het Commentaar sprak van een eis met „ongekende betekenis”. Groot nieuws, dat zeker, al leidde het niet tot een dagenlange tsunami aan beschouwingen.

Niet zo lang geleden was dat anders, blijkt uit het onlangs gepresenteerde Mediastrijd om Suriname van Ellen de Vries, die vergelijkend onderzoek deed naar de Surinaamse en Nederlandse berichtgeving over het land in de periode van 1980 (militaire coup) tot 1992 (terugkeer democratisch gekozen burgerlijke regering). Over Suriname werd voor NRC bericht door onder anderen Frans van Klaveren, Buddingh’, Marcel Haenen en, later, Joost Oranje.

Momentje transparantie: ooit was ook ik aspirant-lid van het gilde der journalistieke Surinamegangers, ik schreef reportages over onder meer de opkomst van Bouterse als in de Heer herboren sterke man. Kenmerkend voor het engagement: samen met Buddingh’ waarschuwde ik Nederland in een opiniestuk voor de laatste maalvoor (toen nog) presidentskandidaat Bouterse. Zoals een leidinggevende na dat stuk wereldwijs opmerkte: „Is die man daar nu nog niet de baas?”

Aan de hand van zes case studies (zoals: Brunswijk, Decembermoorden) laat De Vries zien hoe belangrijk Suriname was in de Nederlandse media, maar relativeert ze ook een aantal hardnekkige generalisaties over de ‘koloniale’ Nederlandse media én deelt ze kritiek uit waar het nodig is.

Eerst het goede nieuws. De vaste Surinaamse kritiek dat de Nederlandse media „bevooroordeeld, sensatiebelust en onevenwichtig” waren, blijkt overdreven en over het geheel genomen ongegrond. Integendeel, Surinamers putten uit de Nederlandse berichtgeving doorgaans meer informatie dan uit hun eigen media, die lang onder militaire censuur stonden en hoe dan ook behoedzaam moesten opereren in een kleine gemeenschap. Voor belangstellenden: zie daarover een ander, óók pas verschenen boek, A Fri Wortu (het vrije woord) van Sylvana van den Braak, dat ingaat op de Surinaamse (zelf)censuur.

Ook de Nederlandse „obsessie” met Bouterse blijkt (althans, in deze periode, vóór zijn drugsproces), mee te vallen; er was brede aandacht voor de Surinaamse politiek, samenleving en economie. Dat is een opmerkelijke conclusie achteraf, zeker in een tijd dat de media opnieuw onder vuur liggen als brengers van nepnieuws.

Maar kritiek is er ook: De Vries stelt vast dat Brunswijk door Nederlandse media, De Telegraaf en Nieuwe Revu voorop, tot ‘Robin Hood’ werd gebombardeerd, als good guy tegenover bad guy Bouterse. De werkelijkheid bleek anders: Robin zat zelf ook in kwade zaken. Ze bekritiseert ook journalisten die zich in de Binnenlandse Oorlog met Brunswijk door het militair gezag op sleeptouw lieten nemen voor een persreis. Aparte vermelding verdient het zwarte schaap Willem Oltmans, die zich typisch recalcitrant opwierp als sympathisant en adviseur van Bouterse.

Algemener is haar kritiek dat de Nederlandse media, bevangen door een solidair ‘redders-frame’, het optreden van de eigen regering in Den Haag niet kritisch genoeg tegen het licht hielden, bijvoorbeeld in het gebruik van ontwikkelingshulp als pressiemiddel. Niet alleen de Surinaamse media schoten in dat opzicht dus tekort.

Met het einde van de ontwikkelingsrelatie schoof Suriname naar de zijlijn. In NRC Handelsblad werd het land verplaatst van de pagina’s Binnenland (het stond er wegens de ‘bijzondere relatie’) naar Buitenland, waar Paramaribo de concurrentie aan moest met Washington en Moskou. De aandacht versmalde zich gaandeweg tot het drugsproces tegen Bouterse, mede na onthullingen van Buddingh’ en Haenen, en de Decembermoorden. Momenteel bericht correspondent Zuid-Amerika Nina Jurna voor NRC.

Einde verhaal?

Nee, want De Vries stelt ook vast dat de Surinaamse media professioneler en vrijer zijn geworden, het laatste zeker in hun standpunten. In De Ware Tijd en elders krijgt ook ‘Baas’ Bouterse er ongezouten van langs.

Dan heb je geen Nederlandse obsessie meer nodig.

Reacties: ombudsman@nrc.nl