Waarom vegetariërs irritant zijn en filmschurken sympathiek

Sociale psychologie

Je hoort je te gedragen als een fatsoenlijk mens. Maar zodra je dat probeert, beland je in een moreel moeras – en irriteer je anderen vaak. Hoe komt dat?

Johnny Depp als Jack Sparrow in de film Pirates of the Caribbean. Mensen vinden de de zeeroverhoofdman sympathiek, omdat hij duidelijk is over zijn slechte bedoelingen. Als je weet wat je aan mensen hebt, maakt dat het makkelijker om met hen om te gaan. Imagenet

Een vrouw die regelmatig langer op kantoor blijft om een jongere collega op weg te helpen terwijl ze daar eigenlijk geen zin in heeft, kan het gevoel hebben dat ze in moreel opzicht goed bezig is. Maar de volgende ochtend kan diezelfde vrouw zich tussen de thuisblijfmoeders op het schoolplein misschien juist weer een slecht mens voelen, een slechte moeder. Wanneer is iemand eigenlijk een goed mens? En waarom is het zo moeilijk om vaste grond onder de voeten te vinden als je je afvraagt wat goed en slecht gedrag is – waarom is moraliteit zo’n moeras?

Over die vragen heeft sociaal psycholoog Naomi Ellemers nu een boek geschreven. In Morality and the Regulation of Social Behavior: Groups as Moral Anchors analyseert ze wat maakt dat mensen zich moreel of immoreel gedragen en hoe dat samenhangt met de groepen waartoe ze (willen) behoren. Daarbij laat ze vooral zien hoe complex die processen zijn en hoe ook mensen die het goed bedoelen slechte dingen kunnen doen.

Op de volgende vier plekken kunnen mensen bijvoorbeeld makkelijk wegzakken in het morele moeras.

1. Er is geen universele moraal

Je zou zeggen dat het niet zo ingewikkeld is: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Primum non nocere. Do no harm. Maar je kunt er nog in zoveel talen spreekwoorden en uitdrukkingen bijhalen, concrete situaties zijn altijd ingewikkelder. ‘Doe geen kwaad’ kan voor de ene groep mensen betekenen dat je je babyzoontje moet besnijden omdat je hem anders een verbond met God onthoudt, terwijl een andere groep mensen vindt dat een besnijdenis zonder medische noodzaak de integriteit van het lichaam aantast, legt Ellemers uit.

Persoonlijke morele overtuigingen voelen als universele, objectieve waarheden, waar niemand die bij zijn volle verstand is tegen kan zijn. Maar het probleem is: dat vinden mensen die heel andere morele overtuigingen hebben dan jijzelf ook over hun eigen normen en waarden. En normen en waarden van jezelf voelen altijd beter dan die van anderen.

Persoonlijke ideeën over goed en slecht gedrag, betoogt Ellemers, zijn gevormd door de lens van wat in de eigen groep goed en slecht gedrag wordt gevonden. Dat kan lastig zijn omdat iedereen tot meer dan één groep behoort – zie het voorbeeld van de carrièremoeder hierboven.

En je kunt niet zonder die vertaling naar concrete situaties: met abstracte morele principes valt weinig te beginnen.

Gelijke kansen voor iedereen! Maar kansen waarop precies – op een opleiding, op een baan die daarbij past?

Eerlijk delen! Hoe dan: krijgt iedereen wat hij zelf verdiend heeft of krijgt iedereen hetzelfde? Of gaat het er vooral om dat de procedures eerlijk zijn?

En dan hebben we het er nog niet eens over gehad dat mensen niet altijd de gevolgen van hun gedrag (kunnen) overzien. Is je nieuwe broek door kinderhandjes in elkaar gezet? Ben je een slecht mens als je dat niet heel zeker weet?

2. Als mensen in jouw groep fout zijn, lijk jij fout

Toen Feyenoordfans in februari 2015 voor honderdduizenden euro’s schade aanrichtten in Rome, voelden veel Nederlanders zich geroepen iets terug te doen. Zo zamelden scholieren van het Celeanum Gymnasium in Zwolle ruim drieduizend euro in. Ze hadden niets met de rellen te maken, maar als Nederlanders die ook graag naar Rome gingen, voelden ze zich verantwoordelijk. Iets vergelijkbaars zag je toen, eveneens in 2015, bekend werd dat Volkswagen ‘sjoemelsoftware’ gebruikte om auto’s milieubewuster te laten lijken. Ook Duitsers die niets met het autobedrijf te maken hadden voelden zich in hun professionele reputatie aangetast. Alsof een schandaal dat landgenoten hebben veroorzaakt, vies op je afgeeft. De mensen moesten eens denken dat dát de normen en waarden zijn die er in jouw groep heersen!

Deze voorbeelden geeft Ellemers om duidelijk te maken hoe mensen vaak denken. Als er aanslagen worden gepleegd door een kleine groep geradicaliseerde moslims, brengt dat een grote groep niet-moslims ertoe te denken dat álle moslims fout zijn. Regelmatig nemen Nederlandse moslims publiekelijk afstand van zulke aanslagen – vergelijkbaar met het inzamelen van geld voor Rome door de Zwolse scholieren.

Normen en waarden worden op groepsniveau geconstrueerd en dus hebben mensen het idee dat voor overtredingen ook op groepsniveau moet worden gecompenseerd. Als dat niet gebeurt, leidt dat tot schaamte, schuldgevoel en stress, blijkt in onderzoek, ook bij mensen die tot die groep behoren en niks verkeerd hebben gedaan. Die worden er namelijk op aangesproken – of voelen zich aangesproken.

3. Moraliteit is zo belangrijk dat het mensen immoreel kan maken

Je moreel goed gedragen is geen luxegedrag, schrijft Ellemers: het is niet iets waar mensen pas aan beginnen als je op een andere manier status of succes hebt behaald. Het is juist iets heel primairs, misschien omdat bij een groep horen zoiets basaal belangrijks is voor mensen. Hoe sterker mensen zich opgenomen en gewaardeerd voelen in hun groep, hoe beter ze zich voelen: meer zelfvertrouwen, beter humeur, meer gevoel van controle en ze blijken zelfs gezonder. Dus als mensen iets fout doen in het oog van de groep, schamen ze zich, voelen ze zich schuldig, en proberen er iets aan te doen. Ze willen het repareren. Of verbergen (geen goed idee: vrouwen die bijvoorbeeld een abortus geheimhouden, hebben daar extra last van).

Maar mensen proberen ook vaak te ontkennen dat ze iets fout gedaan hebben. Of ze gaan op anderen wijzen, die volgens hen nóg slechtere mensen zijn. Mensen vinden het makkelijker om hun eigen goede daden en de fouten van anderen te onthouden dan andersom.

En als studenten zich voorstellen dat ze de antwoorden op een examen van tevoren zouden kunnen zien, blijken ze dat voor zichzelf vaker oké te vinden dan voor anderen. Zo erg is het niet, zeggen ze voor zichzelf; je moet toch flexibel met regels kunnen omgaan, en ach, zo lang niemand schade ervan ondervindt… Maar bij anderen zien ze wel dat dat gedrag verkeerd is.

Ironisch genoeg gaan mensen volgens Ellemers juist zo draaien doordát moraliteit zo belangrijk voor hen is, als zelfbescherming om zichzelf niet als immoreel, als slecht te hoeven zien. Vraag mensen naar iets doms of onhandigs dat ze hebben gedaan, en ze komen zo met een (meestal recent) voorval. Maar vraag naar iets immoreels en mensen zeggen spontaan dat ze het moeilijk vinden iets te bedenken, om vervolgens met een gebeurtenis van heel lang geleden te komen.

4. Moreel voorbeeldige mensen zijn niet populair

Toen kardinaal Jorge Mario Bergoglio in 2013 geen traditionele pauselijke naam aannam maar zich paus Franciscus liet noemen, naar de nederige heilige Franciscus van Assisi, en toen hij een eenvoudig gastenverblijf verkoos boven het gebruikelijke pauselijk appartement en – ongebruikelijk – zelfs de voeten van vrouwelijke gevangenen waste, maakte dat deze paus extra populair. Bij iedereen? Nee: van conservatieve katholieken kreeg hij juist veel kritiek, schrijft Ellemers. Hoe zou dat komen?

Als iemand iets heel goed kan in werk of sport of kunst, vinden we dat vaak inspirerend – maar als het gaat om mensen die moreel heel goed zijn, vinden we ze vaak irritant. Vooral als anderen jou makkelijk met die persoon kunnen vergelijken – als het iemand uit eigen kring is. Als diegene dan duidelijk een beter mens is, roept dat zelfbeschermingsmechanismen op. Een collega die elk weekend vrijwilligerswerk doet, wil zich daar vast op laten voorstaan, denken mensen dan: die voelt zich natuurlijk superieur. Of ze zal het wel doen omdat ze geen vrienden heeft Of ze is een domme, naïeve do-gooder (tegenwoordig gebruiken veel mensen op sociale media daar ook graag het woord Gutmensch voor).

En wat verder lastig is: wie zich uitsluitend door morele normen laat leiden, doet ook dingen die voor zichzelf of anderen schadelijk kunnen zijn. Dat maakt heel morele mensen onvoorspelbaar, in tegenstelling tot mensen die alleen op hun eigen belangen letten. Neem Jack Sparrow (Johnny Depp) in de film Pirates of the Caribbean, zegt Ellemers. Die zegt dat hij oneerlijk is, en dat je daar altijd op kunt vertrouwen. Als je weet wat je aan mensen hebt, maakt dat het makkelijker om met hen om te gaan.

Maar eigenlijk, schrijft Ellemers, willen we het liefst mensen om ons heen die precies even goed of slecht zijn als wijzelf. Mensen met een lagere morele standaard zijn lastig want niet te vertrouwen. En mensen met een hogere morele standaard bedreigen ons positieve zelfbeeld – net als andere groepen, met andere normen en waarden, want louter het feit dat ze die hebben, zien we al als kritiek op ónze normen en waarden en dus op onszelf.

We zoeken dus het liefst mensen op die er net zo over denken zoals wij, en die onze morele keuzes niet ter discussie stellen, bijvoorbeeld op de sociale media. Dat maakt verandering moeilijk. Het verklaart wel waarom veel mensen vegetariërs zo irritant vinden. Of types die nóóit roddelen, of nooit onredelijk zijn, scheten laten, stiekem giechelen als iemand zich grappig verspreekt of tijd verspillen op sociale media – van die mensen die op een volledig leeg kruispunt nog gaan staan wachten voor het rode voetgangersoversteeklicht. Yuk.