Recensie

Reizen en leven als een Roth in Frankrijk

In het interbellum reisde Roth door Frankrijk, scherp noterend wie en wat hij zag – en met een relevantie als was hij onze tijdgenoot.

In november 1927 wordt de journalist Joseph Roth door een Duitse vriend meegetroond naar diens stamkroeg in Metz. ‘Weer eens in het land?’ vraagt de waard aan zijn vriend. ‘In het land’, noteert Roth, ‘en dat betekende honderd keer meer dan ‘vaderland’ [...] pays en niet patrie, land zonder enige ‘‘verplichting”. Dat woord kan het hebben om alleen te staan. Het houdt bossen in, wind, huizen, vriendschappen en niet: een paspoort, een aanmaning van de belastingen, een oproepingsbevel voor reservisten.’

Roth (1894-1939) is begin dertig, heeft Duitsland verlaten, reist door Frankrijk, al zijn zintuigen gespitst op wie hij ontmoet, op wat hij ziet. Zijn vriend stelt hem voor aan een priester, die ‘in hoofdzaak uit twee ingrediënten leek te bestaan: bloed en tevredenheid’. Hij ‘woont in een eenvoudig huis, met nagenoeg kale muren’, schrijft Roth, ‘hij vulde ze met Latijnse citaten. Met verzen van Horatius. Met grappen. Met anekdotes uit zijn legertijd. Met Mirabelle, de plaatselijke brandewijn. Bij hem heb ik de beste Mirabelle van allemaal gedronken. Hij was zo uitstekend dat ik na drie glaasjes meende te moeten zeggen: u doet me denken aan Balzac. Om te verhinderen dat ik nog meer dingen zou zeggen, schonk hij me nog drie glaasjes in. Ik begon er anders over te denken, maar daar zei ik niets van, namelijk dat hij op Rabelais leek’.

Deze citaten illustreren waarom het lezen van Roth zo’n genot is: enerzijds heeft de joods-Oostenrijkse schrijver-journalist een fijn afgestelde antenne voor de politieke betekenis van wat mensen tegen hem zeggen en laat hij niet na op te tekenen hoe de vlag van het Europa van na de Eerste Wereldoorlog erbij hangt. Anderzijds is hij een meester in het puntig en precies neerzetten van de mensen die hij ontmoet.

De reportages die Els Snick samenbracht in In het land van de eeuwige zomer vloeien uit de pen van een man die intens verliefd is op het land dat hij bereist. Hij voelt zich er thuis, schrijft eufoor over de wasvrouwen bij de Rhône, over ‘het grote, prachtige feest’ dat eten heet. Hij geniet van het vreedzame Nice: ‘elke trein brengt een nieuwe zwerm oude gasten, gelukkige mensen wier arts de winter verbiedt en wier portefeuille de eeuwige zomer toestaat’. En hij verpandt zijn hart aan de zuidelijke steden, waar hij ‘fantastische rassenvermenging’ ziet. ‘Hoe dom is de angst van bepaalde staten’, schrijft hij als was hij onze tijdgenoot, ‘dat de éigen aard verloren zou gaan en dat de kleurrijke mensheid één grijze soep zou worden. Hoe meer vermenging, hoe sterker de eigen aard!’

Het liefst vertoeft hij in de ‘witte steden’ van het zuiden, waarvan hij als kind had gedroomd. Zijn jeugd bracht hij door in ‘grijze en rode kleuren van het leger, van de kazerne, de loopgraaf en het veldhospitaal’. Hij is ieder vertrouwen in de wereld kwijtgeraakt, gelooft niet langer ‘dat we met een spoorboekje in de hand in een trein kunnen stappen. Het spoorboekje klopt niet.’ Maar Frankrijk is balsem voor zijn ziel. Ja, ‘de zon is jong en krachtig, de hemel hoog en diep-blauw, de bomen donkergroen, dromerig en oeroud. De witte steden lijken te willen bewijzen dat je hier helemaal geen gevaar van boven te duchten hebt en nooit ofte nimmer in een donkere afgrond kunt storten’.