Recensie

Oerwoorden om de liefde te belichten

Hester Knibbe

De nieuwe bundel van Knibbe is opgebouwd rond 23 ‘oerwoorden’. En ‘oer’ is deze poëzie, maar ook tastend en trefzeker.

Een hardnekkige anekdote verhaalt dat Gerrit Achterberg de titel voor een nieuw gedicht bepaalde met een speldenprik in woordenboek of encyclopedie. Op die manier zou hij tot titels zijn gekomen zoals osmose, spirogeet en hyade. Als dit een verzinsel is, kan ik het toch elke dichter van harte aanraden. De methode is systematisch, maar tegelijkertijd lukraak, dus verrassend. Of het goede gedichten oplevert is een kwestie van vakmanschap.

Die ambachtelijkheid is bij Hester Knibbe in goede handen. Voor haar nieuwe bundel koos ze een woordenlijst die minder willekeur oplevert dan de speld van Achterberg, maar op een soortgelijke wijze het gedicht toch in een lastig keurslijf dwingt. Op de wetenschapspagina van NRC vond ze op 7 mei 2013 een artikel met de 23 ‘oerwoorden’ die de zeven Euraziatische taalfamilies met elkaar verbinden. Die 23 woorden nam Knibbe als uitgangspunt voor het eerste deel van haar dichtbundel As, vuur. Het zijn, anders dan bij Achterberg, simpele woorden, zoals ‘hand’, ‘worm’, ‘vuur’ en ‘spugen’. Maar ook ‘ik’, ‘gij’ en ‘wij’.

Elk van die woorden bracht Knibbe tot een gedicht, en zoals in haar eerdere verzen is ze daarin steeds zelf, als al dan niet vermoedelijk personage of als commentator, aanwezig. Een mooi voorbeeld is het tweede gedicht van de bundel, Bast.

Hij stak een tak in de grond, ging
zitten en sprak tot de tak:
wortel diep, reik hoog, krijg
omvang en bast waar een hart in
gesneden kan worden. En de tak
schoot wortel, rekte en spreidde zich
hoger en wijder, kreeg omvang en bast en toen

kwam er iemand kwam er
een mes aan te pas voor het hart.

Nog staat de boom, gekortwiekt
zijn kroon. En het hart? Ach het hart –

Een voor de hand liggend compliment is dat dit gedicht zo ‘oer’ lijkt als het woord dat onderwerp is. Dat spreekt aan, maar ook prosodisch is dit een overtuigend vers. De toon is vanzelfsprekend, het binnenrijm en de enjambementen dwingen van regel naar regel, en de eenvoudige maar trefzekere beeldtaal richt het lezersoog.

Intussen bespeelt Hester Knibbe alle registers die we uit haar vorige bundels kennen. Het weidse landschap van de liefde wordt in alle facetten belicht. Er is een prachtig gedicht over de relatie tussen moeder en kind. ‘Ze kan // het een bos in sturen of zoeken / tussen de struiken, roepen. Ze // voedt het, moet het ontwennen / aan tepeltroost … // En als het / zich snijdt wie stelpt dan het bloeden?’ En er zijn treffende verzen over man en vrouw.

‘Drift’ heet de eerste helft van As, vuur. Na een inleidend vers (‘iemand schreeuwt’) volgen drie reeksen: ‘Mond’, ‘Hand’ en ‘Oog’. Het laatste oerwoord dat verdicht werd is ‘Stromen’, en dat gedicht is een opmaat naar de tweede helft van de bundel, waarin de dichter haar plek, hier of waar dan ook op reis, verkent. De titel van die tweede helft is opnieuw ‘Stromen’, en het openingsvers slaat een accolade met de oertaal.

Laat ik mij raden? Of laat ik mij kennen, ontleden in meer

dan haar en huid, scherpte van nagels en tanden?

Er vliegt een vogel voorbij, vleugels zo wijd dat je
zijn slagpennen kunt tellen, maar wie ontrafelt zijn roep?

Iemand kan naakt op spitzen dansen, armen gespreid,
en toch zijn ziel verbergen achter een kleine tattoo. Ik heb

kamers met dichte gordijnen en niets te verzwijgen
zolders en kelders met sloten en codes die ik licht

verraad door zomaar te blozen. Soms
kraak ik mijn hunker als een walnoot, toon

de helften in mijn handen open: kijk dit ik. En enkel ik
ken het onnavolgbare tuimelen in mijn hoofd.

Het zou me niet verbazen wanneer de hierna volgende gedichten in de bundel meer lezers aanspreken dan die in de eerste helft. De verzen zijn logischerwijs minder ‘tastend’ dan die over de oerwoorden. In ‘Stromen’ spreekt de dichter vanuit haar eigen ervaring. ‘Leeftocht’ is dan ook de titel van de laatste reeks in As, vuur. De inhoud daarvan is herkenbaarder dan de taalkundige verkenningen in ‘Drift’. Toch zijn beide afdelingen onmiskenbaar vintage Knibbe, al was het maar omdat in elk weer dat oerwoord opduikt dat sinds Een bittere navel (1997) in Knibbes oeuvre bepalend rondspringt. Opmerkelijk genoeg ontbreekt dat woord – steen – in het Euraziatische lijstje.

Na elf bundels behoort Hester Knibbe wat mij betreft tot onze beste dichters, en per bundel is haar kwaliteit nog altijd stijgend. Tijd voor de P.C. Hooftprijs?