Recensie

Nieuws! Over de Russische Revolutie

Russische geschiedenis

Historicus Sean McMeekin komt met tal van gestaafde onthullingen over de revolutie van 1917. Zo levert hij het overtuigendste bewijs tot nog toe dat Lenin door de Duitsers werd gefinancierd.

Als tsaar Nicolaas II begin 1914 was overleden, dan zou hij een van de succesvollere tsaren uit de Russische geschiedenis zijn geweest. De economie van zijn land groeide jaarlijks met 10 procent, de bevolking nam in omvang toe en het levenspeil van de arbeiders verschilde niet van dat in Europa. In veel opzichten leek Rusland op het booming China van nu.

Die gedeeltelijke rehabilitatie van Nicolaas II is een van de opmerkelijke conclusies van de Amerikaanse historicus Sean McMeekin in zijn The Russian Revolution. A New History. Het is een fascinerend boek, dat aantoont dat de definitieve geschiedenis van de revolutie nog altijd niet is geschreven.

McMeekin baseert zich op vondsten in tal van Russische, Duitse en Turkse archieven. Zo blijkt uit zijn boek ook dat de Russische monarchie tot aan 1917 helemaal niet wankelde. In de eerste drie jaar van de oorlog tegen de centrale mogendheden kon de tsaar bogen op de uitgebreide steun van zowel zijn volk als van het leger, dat beter gevoed werd dan dat van zijn tegenstanders. Tot februari 1917 was het moreel van de Russische troepen zelfs voortreffelijk. Sinds de mislukte revolutie van 1905 leek Nicolaas steviger in het zadel te zitten dan ooit tevoren.

McMeekin laat zien dat de Februarirevolutie door stom toeval uitbrak en slechts op het nippertje slaagde. Het begon op 23 februari in Petrograd, toen het ineens prachtig lenteweer was en iedereen voor het eerst sinds de strenge winter weer massaal de straat opging. Ter gelegenheid van Internationale Vrouwendag trok die dag een optocht van een paar duizend vreedzame betogers door het centrum van de stad. Als ze al iets eisten dan was het goedkoper en beter brood, hoewel er geen voedselschaarste in de stad bestond. Onverwacht sloten zich tienduizenden stakende arbeiders bij het vrouwenfeest aan. Maar behalve wat verkeersopstoppingen was er nog altijd weinig aan de hand, want stakingen waren in de hoofdstad al jaren aan de orde van de dag. Wel keken de autoriteiten verrast op van de terughoudendheid van de ordetroepen, de kozakken, om de menigte uiteen te jagen.

Pas toen steeds meer stakers zich bij de betoging voegden, grepen de stadsbestuurders in. Op 26 februari liet de militaire commandant van Petrograd garderegimenten op de betogers schieten. In de kazernes brak daarna muiterij uit, omdat steeds meer jonge rekruten weigerden het vuur te openen op het ongewapende volk.

Geen verloren zaak

Volgens McMeekin was de zaak echter nog niet verloren. Als de tsaar, die aan het front verbleef, voor het herstel van zijn gezag getrainde fronttroepen naar Petrograd had gedirigeerd, dan was de revolte, die geen duidelijke leiding had, makkelijk de kop ingedrukt.

Net als de Australische historicus Christopher Clark in zijn The Sleepwalkers toont McMeekin overtuigend aan dat Rusland in 1914 verantwoordelijk was voor het uitbreken van de oorlog. Hij schuift de schuld daarvoor met name in de schoenen van de liberale ministers van de tsaar, die hoopten na hun overwinning op de Turken de Dardanellen, de doorgang van de Zwarte Zee naar de Middellandse Zee, te kunnen opeisen. In het verlengde van hun verwachte succes wilden ze de tsaar onder druk zetten om liberale hervormingen door te voeren.

De conservatieve krachten aan het hof, met gebedsgenezer Raspoetin voorop, waren tegen een oorlog. Maar toen Raspoetin, die zich in juli 1914 in Siberië bevond, de tsaar een telegram wilde te sturen waarin hij hem afraadde een algemene mobilisatie af te kondigen, werd hij in zijn buik gestoken en belandde hij in het ziekenhuis. De aartstwijfelaar Nicolaas II werd in de daaropvolgende jaren steeds meer een speelbal van die liberale politici, die hem in februari 1917 zouden afzetten in de hoop onder zijn beoogde opvolger een constitutionele monarchie te kunnen invoeren.

Een even belangrijk deel van McMeekins boek is gewijd aan de financiering van Lenin door de Duitse regering. De Februarirevolutie had de in Zwitserse ballingschap levende Lenin geheel overvallen. Toen de radicale bolsjewiek na het afzetten van de tsaar terug wilde keren naar Rusland, kreeg hij daarvoor uitgebreide financiële en materiële hulp uit Berlijn. De enige reden daarvoor was dat Lenin een einde wilde maken aan de Russische deelname aan de oorlog. Zo reisde hij met een door de Duitsers ter beschikking gestelde trein dwars door vijandig gebied naar Petrograd. Daar begon hij met een door de Duitse regering rijkelijk gevulde schatkist en een peperdure drukpers een propaganda-offensief tegen de Voorlopige Regering, die de oorlog wilde voortzetten. Die Duitse steun ging door totdat Lenin zijn macht begin jaren twintig had geconsolideerd.

Voor die beweringen baseert McMeekin zich uitvoerig op documenten uit de archieven van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken, maar ook op Russische politierapporten, die vanaf Lenins terugkeer in Petrograd in opdracht van de Voorlopige Regering werden gemaakt.

En dan rekent McMeekin ook nog genadeloos af met de charismatische Aleksandr Kerenski, die na de mislukte opstand van Lenins bolsjewieken in juli 1917 leider van de Voorlopige Regering werd. Voor McMeekin is Kerenski een al even grote machtswellusteling als Lenin. Als de bolsjewiekenleider in oktober 1917 geen staatsgreep had gepleegd, dan zou Kerenski, die inmiddels in de privévertrekken van de tsaar woonde, ongetwijfeld zelf een dictatuur hebben ingesteld.

Ook benadrukt McMeekin dat Kerenski Lenins staatsgreep had kunnen voorkomen, als hij hem en de andere bolsjewistische kopstukken na die Juli-opstand daadwerkelijk had ontwapend en vervolgd. Maar omdat de premier een putsch van rechtse monarchisten vreesde en hij in dat geval de steun van de bolsjewieken nodig meende te hebben, liet hij dat na. Toen Lenin in oktober de macht greep en het leger weigerde in te grijpen, restte Kerenski niets anders dan de benen te nemen. Net als de tsaar bleek hij ineens een reus op lemen voeten te zijn.