Column

Licht reizen is zwaar

Licht reizen is het beste reizen, zong Cliff Richard al. Dat dacht columnist Frits Abrahams ook. Maar inmiddels weet hij dat licht reizen zwaarder is dan zwaar reizen

Travellin’ Light’ heet een liedje van Cliff Richard uit 1959. Een echte wereldhit: 1,6 miljoen singles van verkocht. Terecht, want het is een mooi, melodieus nummer. Toen ik er destijds als jongen voor het eerst naar luisterde, had ik geen idee wat hij met ‘travellin’ light’ bedoelde. Een reizend licht, of zo?

Ik sprak nog geen Engels, dus ik kon voor de spiegel alleen de klanken van Cliff nabootsen als hij zong: Got no bags and baggage to slow me down/ I’m travellin’ so fast my feet ain’t touchin’ the ground/ Travellin’ light, travellin’ light/ I just can’t wait to be with my baby tonight.

Ook die laatste regel verstond ik niet, maar omdat zijn stem daar zwoel daalde, vermoedde ik wel iets. Dit was in de jaren dat Elvis Presley een rubberen verzwaring in zijn onderbroek stopte om voor de meisjes wat potenter te lijken. Cliff viel meer op jongens, maar dat zong hij er niet bij – later trouwens ook niet.

Vele jaren gingen voorbij en – om het nog even pathetisch te houden – de jongen werd een man. Op een dag ontdekte ik dat ‘travellin’ light’ een bondige omschrijving is van reizen met zo weinig mogelijk bagage. Mij ging een licht op, ja. Ik besefte dat licht reizen bij een avontuurlijk leven hoort.

Nog weer vele jaren later moest ik licht reizen omdat we niet meer per auto op vakantie gingen. Elke keer als mijn vrouw de koffers pakte, dacht ik even aan Cliff en zijn liedje. Terwijl zij zich van haar zelfopgelegde taak kweet, neuriede ik: „No comb and no toothbrush,/ I’ve go nothing to haul/ I’m carryin’ only/ A pocketful of dreams/ a heart full love/ And they weigh nothing at all.”

Inmiddels weet ik dat licht reizen zwaarder is dan zwaar reizen. De autorijder kan zijn spullen gedachteloos in de auto pleuren, de lichte reiziger staat urenlang met zichzelf en zijn partner te overleggen wat er nog wel en niet bij kan. Mijn vrouw kan daar dagen over doen. Af en toe raadpleegt zij mij, het liefst als ik een essay van Simon Vestdijk zit te lezen.

„Ik heb al drie broeken uitgezocht”, zegt ze, „maar ik zou ook nog graag die leuke broek meenemen”. „Je hebt mij al”, zeg ik, gevat tot de dood erop volgt. „En wat doen we met de schoenen?”, vraagt ze, „ik kom al gauw tot drie paar, bij jou ook, want jij zult wel je sandalen willen meenemen.”

Ik knik stellig, want mijn dochters gaan allang niet meer mee en dus hoef ik me niets meer aan te trekken van hun banvloek: geen sandalen onder de korte broek, laat staan sandalen-met-sokken, om nog maar te zwijgen van sandalen-met-sokken onder een lánge broek.

Mijn belangrijkste reisadvies: hoe minder zielen, hoe meer vreugd.

Mijn vrouw pakt, ik controleer. Zijn er te veel onbestemde sjaaltjes bij, kunnen de toilettassen („We zullen er maar voor ieder één meenemen”) wat lichter, wat doet dat dikke boek daar, weet je zeker dat er vijftien zakdoeken bij moeten? Wat ik mijn vrouw verwijt, is dat zij heimelijk allerlei spullen in mijn koffer stopt als ik even de kamer uit ben. Het verklaart de wanhoop die ik later op stations zonder lift en roltrap voel en de tennisarm (soms twee) die ik vaak aan onze reizen overhoud.

Zal het deze vakantie beter gaan? Nee. Toch hoop ik u over vier weken weer terug te zien.