Column

Het meest opbeurende inzicht van vier maanden formatie in Den Haag

Deze week: wat als het politieke idee lijkt uit te sterven?

Ofwel: de Haagse politiek als voornaamste veroorzaker van de nationale woede.

Vier maanden duurt de kabinetsformatie nu, en het begint op te vallen dat sindsdien één aspect vrijwel uit onze politiek is verdwenen: de woede.

Dat kan eigenlijk niet kloppen. Zelden kende Nederland zo’n lange verkiezingscampagne, zelden brachten media tijdens de campagne zo veel boze burgers in stelling tegen Den Haag: nooit was de mogelijkheid van een populistische machtsovername zo concreet.

En nu lijkt het alsof al die boosheid alleen maar politieke ‘communicatie’ was. Taal. Een techniekje.

De media, óók de media, melden al maanden geen boosheid meer. En demonstraties waarin boze burgers opstaan tegen de gevestigde orde, zoals laatst in Arnhem toen de PVV de benoeming van Ahmed Marcouch (PvdA) tot burgemeester laakte, lopen uit op niemendalletjes met enkele tientallen bezoekers.

Het lijkt alsof de boosheid van Nederland, de boosheid van de campagne, uit Den Haag is verdwenen nu Den Haag, na 15 maart, geen boosheid meer kan gebruiken.

Je kunt natuurlijk denken dat dit tijdelijk is: straks, als het kabinet-Rutte III er is, hebben we naast Wilders ook Thierry Baudet die zich opwerpt als spreekbuis van de ontevredenheid – reken maar dat het er hard zal toegaan.

Maar dat laat ook zien dat het ongenoegen blijkbaar moet worden opgeroepen: dat er politiek voor nodig is om die boosheid in beeld te brengen. Dat het zonder politici kennelijk moeilijk is nog boosheid bij de burger los te maken.

En voorlopig hangt er een bijna lieflijke sfeer in Den Haag. Deze week stond de formatie zelfs twee dagen stil omdat de leiding van de CU naar een U2-concert in Berlijn wilde.

Bijna niemand deed geïrriteerd, topambtenaren kuierden rond op het Binnenhof – ik keek er eerlijk gezegd van op. Ik weet ook niet hoe de reactie was geweest als Rutte had gezegd: de VVD praat even niet mee – we zijn naar De Toppers.

Details die doorsijpelen over de inhoud van het formatieoverleg duiden intussen niet op veel onverwacht beleid. Als ik het goed begrijp, vergt vooral naleving van het Parijse klimaatakkoord erg veel nieuwe maatregelen. Je krijgt de indruk – een compleet beeld heb ik zeker niet – dat dit de verdere experimenteerlust van onderhandelaars nogal begrenst.

Dit is internationaal trouwens geen onbekend verschijnsel. Amerikaanse politicologen wijzen al langer op de globalisering van het politieke idee: omdat er een globale informatie-uitwisseling van beleidsoplossingen is ontstaan, zijn alle oplossingen zo’n beetje uitgeprobeerd.

In zekere zin beleven we dus het einde van het politieke idee – het einde van de politiek. Het verklaart mede, ik schreef hier eerder deze week over, dat grote politieke ideeën steeds vaker speeltjes van de superrijken worden.

Een beklemmend voorbeeld is het onderwijs. In het Westen groeit de scepsis over het vermogen om met onderwijsinvesteringen sociale kansen te verbeteren.

Maatschappelijke arrivés kennen alle manieren om hun kinderen op de beste scholen te krijgen. Omgekeerd boeken ouders in verkeerde postcodegebieden amper vooruitgang om hun getalenteerde kinderen op een goede school onder te brengen, ook omdat culturele codes – kleding, eetgewoonten – manieren zijn om nieuwkomers buiten te sluiten.

„Zo verruïneren we ons land”, schreef de conservatieve columnist David Brooks deze week in The New York Times. In Nederland zien we in essentie hetzelfde.

Het resultaat: pleidooien van politici voor meer geld naar onderwijs klinken voor burgers in de verkeerde postcodegebieden als steun aan de welgestelden. Hun woede groeit – maar blijft onzichtbaar.

Een vergelijkbare paradox zie je bij het hardnekkige verlangen bij de overheid om grootschalige uitvoeringsorganisaties te bouwen – Belastingdienst, Nationale Politie, etc. – of informatiestromen te nationaliseren, zoals de gemeentelijke basisadministratie (onlangs mislukt: 90 miljoen euro naar de maan).

Elke burger kan zich dankzij sociale media voortaan vrijelijk uiten en bewegen: alles is een individuele keuze. En de overheid bouwt ondoordringbare diensten die vereisen dat burgers in de mal passen die zij voor ze bedenkt. Als er iets niet klopt, moet de burger maar hopen dat hij ergens verhaal kan halen.

Intussen blijken overheidsmanagers niet in staat alle informatie te verwerken die vrijkomt dankzij de ICT van hun nieuwe grootschalige organisatie, zodat ze er telkens op betrapt worden dat ze bepaalde feiten niet kennen.

Het gevolg: uitgerekend de ministeries van Financiën (Belastingdienst) en Veiligheid en Justitie (Nationale Politie) huren de duurste externe deskundigen in, leerde onderzoek van het Algemeen Dagblad vrijdag.

Ziehier de logica van de grootschaligheid: duurder voor de overheid, extra frustrerend voor de burger.

En tóch zie je geen overstap naar kleinschaligere diensten, want ook dat hoort bij het einde van het politieke idee. Het geloof in het oplossend vermogen kalft af – ook onder politici.

Intussen wordt politieke ideeënvorming bemoeilijkt nu de Tweede Kamer sinds 15 maart verder versnipperd is. Er zijn nu dertien fracties. Het aantal partijpolitieke identiteiten is dus toegenomen, en daarmee het verlangen te worden gehoord: Denk, 50Plus, Partij voor de Dieren, Forum voor Democratie, etc.

In de formatie hebben we al gezien hoezeer dit de regeringsvorming bemoeilijkt: steeds meer partijen die zichzelf buitensluiten dan wel door anderen buitengesloten worden – alles om de eigen identiteit te markeren.

De filosoof Daan Roovers zei het vorige week zondag fraai in het programma Het Filosofisch Kwintet: er is voortaan zo veel aandacht voor de vrijheid van meningsuiting dat niemand zich nog bekommert om de meningsvorming.

Het gevolg is dat steeds minder partijen beschikbaar zijn om te regeren, en vier middenpartijen nu noodgedwongen werken naar een coalitie die in beide Kamers een meerderheid van slechts één zetel heeft.

Het interessantste van de laatste maanden is dat het uitblijven van politiek een zwijgen van boze burgers oplevert

De rest laat zich raden: de negen fracties die buiten het nieuwe kabinet blijven, zullen straks enorme moeite hebben om tot het grote publiek door te dringen, en zich dus vaak concentreren op vorm in plaats van inhoud: bijvoorbeeld door zich te beklagen over de media.

Nieuwe politici die zich als Nederlandse Trumpjes gaan afzetten (‘fake news’) tegen keuzes van traditionele media: Maak Mezelf Groot Gewoon.

Dit neemt het fundamentele probleem natuurlijk niet weg. Omdat zo veel kiezers bij het stemmen dichter bij hun eigen identiteit blijven, krimpt ten slotte de kans dat de partij van hun keuze in de media komt: eigenliefde die uiteindelijk de boosheid slechts bevordert.

Maar het interessantste van de laatste maanden is dat het uitblijven van politiek een zwijgen van boze burgers oplevert.

Dit zou reden voor grondige reflectie mogen zijn. Is het werkelijk de bedoeling van politiek dat die burgers de gordijnen in jaagt?

Voeg daarbij dat er volgend jaar maart alweer gemeenteraadsverkiezingen zijn, en we weten wat het nieuwe kabinet te doen staat: bescheiden blijven bij de keuzes voor nieuw beleid; accepteren dat veel politieke ideeën al geprobeerd zijn.

De laatste maanden had je talrijke deskundigen die zeker wisten dat ‘de populisten’ de volgende keer alsnog hun grote slag slaan. Op de een of andere manier hoorde je de omgekeerde waarschuwingen niet na de verkiezing van Trump en de keuze voor Brexit – maar dat kan toeval zijn.

Mij lijkt scepsis niettemin geboden. Zoals scepsis ook geboden is over het verlangen dat Nederland na deze kabinetsformatie een land wordt van louter rust en verbondenheid en nooit gedoe over Zwarte Piet.

Maar dat je, als nieuw kabinet, de nationale boosheid óók kunt tegengaan door de bevolking niet opnieuw te overladen met beleid in elk maatschappelijk domein – dat lijkt me, eerlijk gezegd, een van de boeiendste en meest opbeurende inzichten van de laatste maanden.

Zo erg hoeft het einde van het politieke idee dus helemaal niet te zijn.