De wereld van het park

Reportage

Binnen de hekken van een park heerst vrijheid. Je kunt er doen wat je wilt. Tafeltennissen, picknicken, languit liggen in het gras of op een bankje staren in de verte. Zo is het leven in het Sarphatipark in Amsterdam.

„Running no good”, zegt Wang Yan (achter) tegen hardlopers. Ze zweert bij Tai Chi. Fotografie: Niels Blekemolen

Het is half acht ’s ochtends en aan de picknicktafel in het park zitten vier man aan het bier. „Ze is bij me weggegaan”, zegt Huib met grote ogen.

„Kut, jongen.”

„Ach,” zegt hij, „ze zal zo wel weer komen aanlopen.”

Op tafel ligt verfrommeld aluminiumfolie en een jongen met lang blond haar en een hippe scooter heeft zojuist croissantjes gehaald. „Hij is mijn reddende engel vanavond”, zegt Huib. „Iemand een biertje?”

Huib, 48 jaar, is ontslagen bij een smartshop. Nu verdient hij wat bij met schoonmaken bij een vriend in een rolstoel. Verder is het improviseren. Het gat in zijn rieten hoed is nauwelijks zichtbaar, zijn witte sneakers heeft hij gevonden en zijn colbertje, Tommy Hilfiger, tikte hij voor 5 euro op de kop.

Een vrouw jogt langs. Een van de mannen maakt heupbewegingen naar voren.

„Ze is lekker hè.”

She is mine.

„Je weet, ik bewaar altijd wat voor jou.”

Natuurlijk is in de daklozenwereld niet iedereen te vertrouwen, zegt Huib, je hebt altijd jakhalzen. Maar eenmaal ingeburgerd krijg je ook veel terug. Saamhorigheid overheerst, delen is de regel. Hij wijst naar een ruwe bonk die als een kleermaker op de naastgelegen picknicktafel zit. „Dat is Pappie, ouwe. Die gaf me net nog een kers. Lékker man!”

Er lopen twee nijlganzen voorbij. Huib pakt een vogelfluitje uit zijn binnenzak en blaast erop. „Kijk eens om je heen, wat een rust”, zegt hij trippend van de crack. „Het park is op zijn best als de zon opkomt.”

Sarphatipark
Yann van der Heijden (midden) heeft zijn sportschool-abonnement opgezegd. Hij gaat nu voor natural in het park.
„Running no good”, zegt Wang Yan (achter) tegen hardlopers. Ze zweert bij Tai Chi.
Fotografie: Niels Blekemolen

Het Sarphatipark is een klein buurtpark in Amsterdam. In de zomer ligt iedereen hutje mutje rondom het standbeeld van weldoener Samuel Sarphati. In de winter zijn de bomen kaal en overzie je het hele park in één oogopslag. Het grasveld, de vijver, de zandbak, de picknicktafel, de sporthoek.

In grotere parken moet je voortdurend oppassen voor andere daklozen, zegt Huib. Dit park is gemoedelijker, hiërarchie ontbreekt. En toen barbecuen nog was toegestaan verzamelden ze op zomeravonden met z’n allen de halve pakken worst en overgebleven kooltjes van wegwerpbarbecues voor een goeie maaltijd. Kwam er altijd wel iemand met een biertje aan. „Zó ontspannen, zó tof!”

Acht uur, de fontein floept aan. Uit de bosjes komt een man tevoorschijn, de slaap nog in zijn ogen. Hij draagt een blauwe vuilniszak over zijn schouder.

„Biertje”, vraagt Huib.

No thanks. Do you have a cigarette?

De man steekt er een op en vraagt om een euro. De sfeer slaat om. Vragen om geld onderling doe je niet. De man begint in het Engels te roepen tegen Huib. Dat-ie een showtje opvoert, geen echte dakloze is. Huib springt op en vertrekt. Hij houdt niet van ruzie. De man kijkt hem hoofdschuddend na. „He is a crackjunkie.

Joseph heet de man die net wakker is. Hij is 43 jaar en komt uit Oost-Europa. Zelf rookt hij alleen wiet. Het is de reden dat hij zijn baan kwijtraakte, zegt hij. Hij was kok op rivierboten op de Donau en later in Los Angeles. Daar heeft hij zeven jaar in de cel gezeten en de VS mocht hij daarna niet meer in. Hij belandde via Italië en Hongarije in Nederland. Maar verslaafd aan wiet is nog altijd beter dan aan crack, zegt hij. „Om wiet worden mensen niet neergestoken.”

Joseph loopt naar een bankje verderop en draait een joint. Een Aziatische vrouw loopt langs en houdt stil. „Hé, jou ken ik”, zegt ze in het Engels. „Ik heb je laatst dumplings gegeven toch? Slaap je in het park?” Joseph knikt. De vrouw kijkt zuur. „Waarom”, vraagt ze.

De vrouw gaat zitten op het bankje. Ze heet Wang Yan en is 80 jaar oud. „Tachtig?” Joseph kijkt verbaasd. „Je ziet eruit als zestig!”

„Dit is waarom”, zegt Wang. Ze pakt een enorme smartphone erbij en scrolt door de foto’s. Wang met prijzen op podia in Argentinië, Spanje, Canada en geboorteland China. ‘A legend of the Orient.’ Ze is Kung Fu-master en Qigong-dokter en woont nu al jaren in Nederland. Ze scrollt verder langs een rits krantenartikelen. Wang op de foto naast de burgemeester van Amstelveen, voormalig tv-held Tineke de Nooij die vertelt dankzij ‘Dokter Wang’ te zijn genezen van migraine. „Wauw, ben jij dit?”, vraagt Joseph. „Oh mijn god, als je jonger was geweest, zou ik je grijpen.” Hij pakt uit zijn vuilniszak een verkreukeld overhemd en trekt het aan. Joseph heeft beloofd te koken bij de opvang voor andere daklozen, hij moet gaan. „Je krijgt eten, je geeft eten.”

Er is een wereld binnen en buiten het gietijzeren hek dat het Sarphatipark omringt. Daarbuiten fietsen drommen mensen verbeten naar hun werk. Er klinkt getoeter van auto’s en getingel van de tram. De mensen hebben haast en leven langs elkaar heen. Binnen het hek klettert een fontein en knisperen de kiezels. Mensen zitten in een boom of liggen languit in het gras. Ze dansen, maken muziek. Een hek creëert vrijheid, een vrijstaat binnen de stad.

Giorgo loopt dagelijks tien rondjes door het park. Altijd met zijn rugzak om, inclusief regenjas en zakmes.

‘Hai!”, zegt Wang Yan zwaaiend naar een voorbijganger. Het is Giorgo, een Italiaan. Dagelijks wandelt hij tien rondjes in het park en na elk rondje verplaatst hij één van de tien berkenkatjes in zijn rechterjaszak naar zijn linker, zodat hij weet hoeveel rondjes hij gelopen heeft.

Giorgo lacht terug. Vroeger rende hij door het park. Maar Wang heeft hem gezegd dat hij beter kan wandelen. Zoals ze wel vaker tegen hardlopers zegt: stop, ik wil met je praten. Running no good.

Nederlanders begrijpen twee dingen niet, zegt ze. Eén: hoe goed deze overheid voor hen zorgt. „Wij Chinezen kunnen dat gewoon niet gelóven.” Twee: hoe je gezond moet leven. „Nederlanders zien er voor hun leeftijd oud uit.”

Nederlanders zien er voor hun leeftijd oud uit

Ze wijst op de rooie koppen. Hollanders vooral, die op dit tijdstip puffend en hijgend rennen om de grasweide. „Waar is de zuurstof in hun lichaam?” Nu wijst ze naar de weide zelf, bevolkt met groepjes oudere Aziatische vrouwen. Ze nemen langzame stappen en zwaaien met hun armen. Ze doen aan Tai Chi. Ze ademen rustig in… en uit.

Lucht, zegt Wang, dat is het geheim voor een gezond en lang leven. „Het beste medicijn is overal om ons heen.” Ze staat op van het bankje en draait zich om voor een demonstratie. „Kijk naar mijn handpalmen, kijk naar de kleur.” De tint is bleek. Ze sluit haar ogen en ademt een paar minuten diep in en uit. Dan toont ze haar palmen opnieuw: rood en opgezwollen. Voor een goede doorbloeding, zegt ze, heb je zuurstof en concentratie nodig. Meer niet.

Een park als open ontmoetingsplaats, dat is het democratisch ideaal. Plaats voor het uitwisselen van gedachten en ideeën, zoals een theater en een plein. In de jaren 80 ging de openbare ruimte achteruit. Er was economische malaise, een zich terugtrekkende overheid, de bevolking verhuisde naar buitenwijken, binnensteden verloederden. Het park werd synoniem voor junks en vuil en het gebruik ervan nam af. De wederopstanding volgde na de millenniumwende, toen veel stadsparken werden gerenoveerd.

‘James, wanna play?” Bij de tafeltennistafel werpt een student een balletje op. Tegenover hem staat de bekendste speler van het Sarphatipark. James, Indo-Chinees, tenger gebouwd, man van weinig woorden. Hij komt al drie jaar dagelijks met de metro vanuit Amsterdam-Zuidoost om op deze plek te tafeltennissen. Altijd neemt hij zijn karretje mee met 150 eigenhandig beschilderde ballen die hij, als een tegenstander ontbreekt, één voor één wegtikt over de tafel.

De tafeltennistafel in het Sarphatipark is de beste outdoor-tafel van de stad. In andere buurten zijn ook wel tafels, maar die zijn van ijzer of beton. Hufterproof, maar onbespeelbaar. Deze voelt als hout. Hij mag dan kwetsbaar zijn en relatief duur, hij wordt tenminste gebruikt. Sterker, er heeft zich rondom een gemeenschap gevormd. Een vaste kern van buurtbewoners jong en oud, die dagelijks tegen elkaar speelt. Ze houden toernooien en bij topdrukte doen ze round the table. En wie niet speelt kijkt vanuit een plastic tuinstoel toe.

James en de student jagen de bal fanatiek over tafel. „Hé Matt!” roept iemand. Een Amerikaan met een gettoblaster arriveert en haalt ’m van zijn schouder. Oude blues schalt door de speakers terwijl twee buurtgenoten een nieuwe schoonmaakspray voor hun batjes uitproberen. „Schudden hè, schudden.”

James (links) neemt elke dag 150 tafeltennisballen mee naar het park. Zijn topspin gaat hard vooruit.

„Als je hier een week niet speelt, verlies je”, zegt Hans den Otter, een van de oudere spelers. „Dan is de rest een week lang ingetikt.” Samen met technicus Marcel wisselt hij stuivertje om de nummer één-positie. Outsiders zijn er ook. Zoals Alex, een goeie windspeler. Die anticipeert als de beste, vooral met noordwestenwind van belang. Nieuwe ster aan de tafel is een negentienjarige Serviër met een natuurlijke slag. „Beetje spin, goeie forehand. Een talent.”

Rondom de tafel gaan de gesprekken soms dieper dan ‘goed gespeeld’, zegt Hans. Ze geven elkaar advies als iemand in de knoop zit. Wijzend naar een jongen: „Zijn ouders zijn net gescheiden”. Sommigen raken bevriend en toen laatst het tafeloppervlak was besmeurd met rode graffiti, belden ze niet de gemeente, maar pakten ze zelf een sopje. Met vier man hebben ze een uur lang geschrobd.

Bij de vijver gaat een oudere man zitten op een bankje. Hij plant zijn wandelstok in de grond en staart naar de fontein. De man staart zoals velen in een park dat vanaf een bankje doen: alleen, soms urenlang. Ze mijmeren, denken, overdenken. Geen passant die weet waarover.

‘Ik denk hier aan de leuke dingen”, zegt de man bij de vijver. Hij heet Ed Claasz Coockson en is zo’n driemaal per week op dit bankje te vinden.

Claasz Coockson, 78 jaar, denkt graag aan zijn geboorteland Indonesië en aan de wandelingen die hij er als kind maakte met zijn vader. De eindeloze gesprekken die ze voerden terwijl ze joegen op zwijnen en paradijsvogels. Zijn vader was een strenge man, overste bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger. Praten aan de eettafel was verboden en toen de jonge Claasz Coockson eens mango’s uit de tuin van de buren stal, schreef hij zijn vingers krom aan strafregels. „Nou, dan doe je het daarna niet meer.”

Zijn eigen kinderen heeft hij niet zo streng willen opvoeden. Maar eerbied heeft hij ze wel bijgebracht. Opstaan voor een bejaarde in de tram, ‘meneer’ zeggen tegen een autoriteit. Zonder eerbied, zegt hij, is het hek van de dam, dan vervalt een land in chaos. Kijk naar Nederland, waar iedereen maar ‘je’ tegen elkaar zegt en de overheid gezag ontbeert. De blik van Claasz Coockson blijft hangen bij een agent op de fiets. „Fietsen in het park is verboden.” De agent tikt een voorbijganger op de schouder die óók fietst, maar die rijdt zonder opkijken door. „Dat bedoel ik nou.”

Claasz Coockson denkt graag aan de reis die hij als zestienjarige in zijn eentje maakte naar Nederland. De boottocht naar Genua en vandaar met de trein verder. En hoe hij op 3 januari 1957 in een besneeuwd land werd opgehaald door zijn tante. Na zijn hbs kwam hij als monteur te werken bij een kantoormachinefabriek. Daar leerde hij zijn vrouw kennen. Ze trouwden en kregen kinderen. Toen hij weduwnaar werd is hij met zijn dochter blijven wonen in het huis. Hij knapte het op met ivoorwitte meubelen en zwartgrijs tapijt. Hij doet het huishouden, zij de administratie. Claasz Coockson glimlacht en knijpt zijn ogen fijn. „Ik heb alles in het leven.”

Ed Claasz Coockson (78) denkt graag aan zijn jeugd in Indonesië. In zijn jonge jaren werd hij James Dean genoemd.

Aan de minder leuke dingen denkt hij liever niet. Het Japanse interneringskamp waarin hij zag hoe mensen met een samoerai een vinger werd afgehakt. De moeite die het kost om als slachtoffer van de Japanse bezetting erkenning te krijgen van de Nederlandse staat.

Claasz Coockson toog eens met zijn dochter naar Leiden om voor een vijfkoppige commissie te vragen om financiële genoegdoening. De leden van de commissie ondervroegen hem. Ze vroegen hem naar het lot van zijn vader en wat hij at in het kamp. Rijst met kaneel en zoethout en een theelepel Castor-olie tegen de obstipatie. Maar wat hadden zíj daarmee te maken? Claasz Coockson vroeg de commissieleden hoe ze konden oordelen over iets dat ze zelf niet hadden meegemaakt. ‘Op basis van boeken’ hadden ze gezegd, waarop zijn dochter in één veeg alle dossiers van tafel veegde en zei ‘Kom papa, we gaan nú naar huis. We gaan niet bedelen.’ Trots staart hij naar de fontein.

‘Ik ga ervandoor. Jij?” „Kleren kopen straks.” „Nice man.”

In de fitnesshoek neemt Yann van der Heijden, 20 jaar, afscheid van een vriend. De meeste apparaten in de vernieuwde sporthoek van het Sarphatipark zijn bedoeld voor 50-plussers, maar het zijn vooral gespierde jongens die er fanatiek op trainen. De hiphopscene is hier te vinden, de bonkige opbouwers van de naastgelegen markt, een verdwaalde alcoholist. „En soms zie je nog wel eens een opaatje flexen”, zegt Yann. Hij rust even uit.

Meisjes blijven soms staan kijken als Yann zich optrekt aan de monkey bar

Drie jaar geleden was hij nog „fucking skinny”, vertelt Yann. Als parttime barman had hij tijd genoeg. Hij begon met trainen en dat bleek verslavend. Al die repetitieve bewegingen, het voelt alsof je een stoommachine bent. Zijn spieren groeiden en nu blijven meisjes soms staan kijken als hij zich optrekt aan de monkey bar. ‘Hey, ik heb je op Sarphati gezien’, kreeg hij eens zomaar geappt. ‘Wil je een keer hangen?’ Natuurlijk heeft hij ja gezegd. Maar het is wel een specifiek soort meisje dat je met zo’n lichaam trekt. Yann trekt een zuur gezicht. „Niet de slimste.”

Zijn lidmaatschap bij de sportschool heeft Yann gestopt. Daar wil iedereen zo snel mogelijk een ‘kassie’ worden met hulp van eiwitshakes. Maar daar krijg je alleen maar puisten van. In het park, zegt hij, gaat iedereen voor natural. „We hebben respect voor elkaar, geven elkaar complimenten.” Beetje blowen samen, beetje trainen. En daarna eten. Heel veel eten. Dat vindt Yann het moeilijkst. Al die kip en rijst, voor de eiwitten. Blijven eten terwijl je eigenlijk al misselijk bent. Hold up”, zegt hij. Zijn telefoon rinkelt. „Yo man…”

Nederlanders leven steeds meer langs elkaar heen, lees je in rapporten. Ze zijn voor hun behoeften niet meer afhankelijk van elkaar of van hun directe omgeving. Openbare ontmoetingsplaatsen maken plaats voor digitale trefpunten waarin alleen nog gelijkgestemden elkaar ontmoeten. Maar wie zegt dat sociale cohesie niet meer bestaat?

Op het grasveld wil Mojo graag met Toto spelen, maar die staat er wat verloren bij. „Toto houdt niet zo van andere honden”, zegt zijn baasje vanachter een grote zonnebril. Mojo blijft enthousiast. „Dit is uitzonderlijk hoor”, zegt het baasje van Mojo, een kerel op een bakfiets. „Normaal moet ik hem echt naar buiten sléúren, anders kom ik nooit de deur uit.”

Er komt nog een hond aangelopen.

„Hé, dat is een schatje…”

Het baasje van Toto geeft een aai. „Wat een moppie.”

„Wolfje heet-ie”, zegt het baasje dat erbij is komen staan. „Zacht hè.”

„Ja, héél schattig.”

„Oehoehoehoehoe.”

Hondenpraatjes heten het: eerst een compliment over elkaars hond en daarna de diepte in. Op het hondenveld van het Sarphatipark weet zo’n beetje iedereen van elkaar wie gescheiden is en wie depressief. Er klieken altijd wel wat baasjes samen, anderen luisterend eromheen. Je hebt iets gemeenschappelijks, dat praat makkelijker, zeggen ze. De baasjes van Gerrit, Tessa, Eddy en Puck, alleenstaande vrouwen van middelbare leeftijd, zien elkaar zelfs dagelijks. Als één ziek is, laat de ander haar hond uit. En ook de man die laatst zijn hond heeft verloren, komt telkens naar het veldje terug.

„Toto is eens gebeten door Brutus”, vertelt Toto’s baasje. „Die pakte Toto beet en schudde hem heen en weer, wadend in het bloed.”

Hondenpraatjes: eerst een compliment over elkaars hond en daarna de diepte in

Brutus, vermoedelijk overleden, was een echte man, klinkt het eensgezind.

„Ik ging verhaal halen bij de eigenaar, een halfblinde vrouw”, vervolgt Toto’s baasje. „Je kan hem gewoon aaien hoor, zei ze. Voor mensen is hij wel lief.”

Er komen meer baasjes bij de groep staan. De discussie gaat over mensen die de poep van hun hond niet opruimen. Zeg je daar wat van?

„Ik negeer, en nee, dat is niet bevredigend.”

„Ik kijk alleen vies, eerst naar de drol, dan naar het baasje.”

„Tegen iemand met een chihuahua durf ik er wel wat van te zeggen.”

Meeste bijval krijgt een baasje dat tipt om subtiel een hondenzakje aan te reiken. „Dan voelt het niet zo direct.” En desnoods ruimt ze de drol zelf met een zakje op.

„Andermans hondenpoep?” De groep reageert verontwaardigd. „Dan is-ie dus koud…”