Rocklobby in vier bedrijven

Rock-‘n-roll In een ranzige rockpub in Londen probeert het Nederlandse rocktrio Paceshifters zich in de kijker te spelen van de internationale bookers. Dit weekend spelen ze op de Zwarte Cross.

Foto Erik Delobel

The Black Heart in Londen is een afgebladderde rockpub van het sympathieke soort. Loeiharde gitaarmuziek blaast er golven in je half pint. Op de wc’s moet je je een weg banen door een rondfladderende mist van fruitvliegjes. En als je aan de volgetatoeëerde barvrouw met felroze haren vraagt welk bier ze aanbeveelt, wijst ze achteloos naar het lelijkste flesje onderin de koelkast en lispelt langs haar lippiercings: „Da’s de goedkoopste.”

In de bovenzaal speelt een bandje uit Nederland harde, strakke grunge. Zanger-gitarist Seb Dokman (24) is een wilde pluizenbol met een dromerige blik en een vlassig snorretje die dansend op zijn tenen zijn schorre keel kan laten gieren, of juist vallend op zijn knieën galmende solo’s uit zijn gitaar weet te persen. Terwijl oudere broer Paul (26) zich verstopt achter een zware basgitaar en een lange zwarte lok die als gordijn voor zijn ogen hangt, beukt de hevig zwetende Jesper Albers (26) voorover gebogen in zijn blote bast op de trommels.

Het lijkt een doodgewone doordeweekse avond, maar dat is het niet. Om te beginnen hangt er achter het drietal een backdrop – een spandoek met bandnaam – die zó groot is dat hij bijna breder is dan de zaal, kennelijk bedoeld voor grotere podia.

Dan het publiek. Het is dinsdagavond, altijd lastig, en er is hooguit vijftig man komen kijken. Wie tussen de gebruikelijke mix van rockers, punkers en metalheads kijkt, ziet ook wat oudere mannen. Een zestiger, met zijn brilletje boven op zijn glimmende schedel, is Andy Farrow, manager van grote bands als Opeth, Paradise Lost en The Devin Townsend Project. De nerdy, kalende vijftiger met zwarte bril is Paul Craig, manager van het Schotse rocktrio Biffy Clyro en zangeres Birdy. En zo staan er nog veel meer platenbazen, booking agents en pr-officers.

Oftewel: het boeit niet hoeveel mensen er vanavond zijn komen opdagen, maar welke. Dit is namelijk geen rockshow. Dit is een diplomatiek territorium. De plakkerige vloer van The Black Heart, in hartje Camden, geldt als een handelszone van de Verenigde Naties Voor Bands Die Willen Doorbreken.

Object van onderhandeling is het jonge bandje dat ondertussen het podium aan gort rockt: Paceshifters, uit Wijhe, Overijssel. Voor deze ene Londense show van 45 minuten zijn ze ruim 48 uur in touw, leggen ze 1350 kilometer af en hebben ze de afgelopen nacht op een parkeerplaats geslapen. De operatie is maar één van de ontelbare onderdelen uit het grote masterplan op weg naar Het Buitenland, waarin stapje voor stapje vorderingen worden geboekt.

Dit is hun Londense rocklobby, in vier bedrijven.

Foto Alex MacNaughton
Foto Alex MacNaughton
Foto Alex MacNaughton

Eerste bedrijf: Bus & Breakfast

„Geef er een beuk op!”

„Trek alle kabels eruit!”

„Google het anders even.”

„Nee joh, gewoon op rammen!”

De Xbox doet het niet. De tourbus is een uur onderweg als Seb, Jesper en vaste geluidsman Bjorn Roolvink dat ontdekken. Vanaf Utrecht staan ze voortdurend overeind in een wanhoopspoging de ingebouwde spelcomputer te repareren. Pas voor Breda gaan ze verslagen op de achterbank zitten.

Voorin houdt manager Frank van Lunteren (49) de witte Mercedes Sprinter op koers. Paul bedient op de bijrijdersstoel de telefoon voor de routebeschrijving en de broodnodige muziek. „Het verkeer in Londen is een hel”, zegt hij. „Twee jaar geleden moesten we er spelen, maar stonden zó lang vast dat we tien minuten voor de show aankwamen.” Van Lunteren: „Daarom gaan we nu ’s nachts rijden.”

Piepjong waren de Paceshifters toen ze negen jaar geleden begonnen, en ze vlogen er vol gas in. Hun eerste EP was meteen een samenwerking met de Amerikaanse undergroundhelden The Supersuckers. Het contact ontstond al eerder, toen de kleine Seb op veilingsite eBay een gitaar van zijn idolen te koop zag staan die hij per se wilde hebben. „Toen ze doorhadden dat de koper een 12-jarige snotaap was, mochten we bij hun eerstvolgende Nederlandse show backstage komen.”

De band bleef groot denken. Voor het tweede album Home vlogen ze naar de vooraanstaande Amerikaanse producer Ed Stasium (Ramones, Talking Heads, Motörhead). En de afgelopen maart verschenen vierde plaat Waiting to Derail namen ze op in Austin bij Chris ‘Frenchie’ Smith (Meat Puppets, Dandy Warhols). Hij was onder de indruk van de jonge ‘rockbeesten’, zegt Smith in een documentaire over de opnames. „Zelfs als Al-Qaeda een geweer op mijn hoofd zou zetten, zou ik niets negatiefs over deze liedjes kunnen zeggen.”

Met lof en rock-‘n’-roll-credibility zit het dus wel snor. Maar vier albums, drie DWDD-optredens, bijna alle Nederlandse popzalen en talloze festivals verder begint het buitenland steeds meer te lonken. „Als je in Nederland verder wilt, heb je een radiohit nodig”, weet Jesper. „En dat kunnen wij wel vergeten.”

De eerste stap is inmiddels gezet: Waiting to Derail komt in september wereldwijd uit via het Britse Hassle Records. Het optreden in Londen moet die internationale potentie verder bevestigen. Het label is al een tijdje bezig Paceshifters mee te sturen als voorprogramma van een grote act die in september door Groot-Brittannië toert. Van Lunteren: „Wie het is kan ik niet zeggen, omdat de onderhandelingen nog lopen.”

Het wachten duurt lang, zucht de band. „De twee andere support acts zijn al bekend”, zegt Seb. „Waarom de laatste dan nog niet?” Van Lunteren: „Wij vinden natuurlijk dat ze harder voor ons moeten werken. Maar ja, we zijn gewoon nog te klein. Met één Biffy Clyro-show verdient een boeker een paar duizend pond. Van onze show kan hij misschien een kop koffie kopen.”

Terwijl Steve Earle de chauffeur wakker houdt met ‘I’m rollin’ down a sunset highway’, klinkt iets na middernacht het eerste gesnurk vanaf de achterbank. Tot half drie, want dan wordt iedereen gewekt voor de paspoortcontrole bij de Kanaaltunnel. Een voor een moeten de inzittenden hun hoofd aan de douaneambtenaar tonen.

„And what is the purpose of your trip?”

„We’re gonna have a rock show tonight!”

Terwijl het langzaam weer licht wordt, scheurt Van Lunteren door de uitgestorven straten van Londen. „Daar is ons hotel”, zegt hij. Maar in plaats van te remmen, geeft hij extra gas: dat is pas voor morgen. „Daar ziet het er wel rustig uit”, wijst Paul naar een paar afgelegen parkeerplekken voor een bouwmarkt. De bus slaat af en stopt. Van Lunteren kantelt zijn bestuurdersstoel naar achteren en nestelt zich. „Welterusten!”

Tweede bedrijf: Lobby in de lobby

Iets eerder dan gehoopt komt het schijnbaar uitgestorven parkeerterrein tot leven. Vanaf een uur of zeven verandert het in de verzamelplaats van ongeveer alle Londense wegwerkers. Vrachtwagens en pick-uptrucks rijden af en aan. Terwijl mannen in fluorescerende overalls wegwijzers en verkeersborden uitladen, loeren ze minachtend naar het busje met ramenlikkende rockers dat zo akelig in de weg staat. Als een enorme vrachtwagen met onmogelijk kan passeren, zit er niets anders op dan wakker worden en verkassen.

Een ontbijt en een parkeerboete later wacht de eerste afspraak van de dag: manager Andy Farrow. „Ik heb ze anderhalf jaar terug voor het eerst gezien op de Global Rock Summit in Los Angeles”, zegt hij in de lobby van de Holiday Inn. „Sindsdien zit ik achter ze aan. Maar jullie Hollanders zijn bijna net zo voorzichtig als Noren. That’s British humor, by the way.”

„Ze hebben dan muzikaal gezien niet het wiel opnieuw uitgevonden”, gaat hij verder. „Maar hun liedjes zijn catchy en dynamisch. Als ze in het Verenigd Koninkrijk voet aan de grond krijgen, ligt de rest van Europa en Amerika ook open. Dat is een kwestie van hard pushen, maar ik heb het internationale netwerk om dat voor elkaar te krijgen.”

Ook voordelig: „Ze zijn met zijn drieën. Dat maakt toeren stukken goedkoper.” („En bovendien zijn ze aantrekkelijk voor meisjes”, zal hij er ’s nachts in de pub nog aan toevoegen.”)

„Pffff”, zucht Jesper na afloop van een bijna twee uur durend overleg. „Die liet ons even alle hoeken van de kamer zien.” Maar is er een deal? „Daar moeten we het nog over hebben.”

De band twijfelt, legt Van Lunteren later uit, omdat Farrow normaal gesproken management doet, maar nu uit is op de zogeheten publishing: de uitgeefrechten. De gevoeligheid zit hem in de duur van de overeenkomst. „Hij wil de rechten voor een lange periode vastleggen. De bedoeling is dat hij in ruil voor een bepaald percentage onze muziek gaat pluggen bij radio, films, games, etc. Hij is een machtig man. Hem bellen ze wel terug, bij ons moet je dat altijd maar afwachten. Als er daardoor meer binnenkomt, mag hij natuurlijk best een deel van die taart hebben. Het punt is alleen: als hij achterover leunt en helemaal niks doet, krijgt hij dat geld ook!”

Het grote dilemma: je weet eigenlijk nooit of je het goed doet. „Daar wordt in de muziekindustrie nauwelijks over gesproken.”

Seb: „Er is ook vet veel vriendjespolitiek.”

Van Lunteren: „I’ll scratch your back if you scratch mine. Al die agenten hebben natuurlijk een heleboel acts en proberen voor iedereen wat leuks te regelen. Maar ik wil alleen wat voor die gasten zo gunstig mogelijk is.” Hij is namelijk meer dan alleen maar hun manager, zegt hij. „Ik ben ook hun stiefvader.”

Foto Alex MacNaughton
Foto Alex MacNaughton

Derde bedrijf: Grote meneren

Voorafgaand aan het optreden worden er tussendoor het sjouwen, opbouwen en soundchecken voortdurend handjes geschud. Dan mogen de Paceshifters eindelijk doen waarin ze goed zijn: keihard blazen. De vijftig hoofden wiegen heen en weer wanneer de single ‘Stranger’ door de ruimte galmt. Terwijl Jesper op het topje van zijn longen de Who-cover ‘Baba O’Riley’ zingt, schuifelt het publiek aarzelend naar voren. En als afsluiter ‘Cut ’n Run’ wordt bekroond met luid gejuich vallen de bandleden elkaar in de armen. Trouwste fan Ralph Wesselingh die de band achterna is gereisd („Dit was mijn 32e show”) deelt high fives uit.

„Fucking brilliant”, oordeelt labelbaas Ian Westley opgetogen. Het wordt hard werken voor de band, voorspelt hij. „De Engelse muziekscene is vreselijk competitief. Zeker nu de radio steeds conservatiever wordt en alleen maar hits wil horen. Dat betekent: veel spelen. Je moet iedereen echt één voor één overtuigen.”

Blijven hangen is er niet bij voor de Britten. Binnen een mum van tijd stroomt de zaal leeg. „We mailen”, gebaart Biffy Clyro-manager Paul Craig nog naar Van Lunteren, door zijn vingers boven een denkbeeldig toetsenbord te laten zwaaien.

Seb: „Is hij een grote meneer?”

Van Lunteren: „Hij heeft Warner Music geleid. De boeker van Ed Sheeran was er ook, trouwens.”

Seb. „Weet je wat mij opvalt? Óf het zijn van die baasjes, óf ze zijn juist een beetje vaag.”

Jesper: „Als iedereen meteen weggaat, moeten we dan niet beneden zijn nu?”

Paul: „Ik kan niet socializen. Ik pak de bus wel in.”

Seb snuift aan de oksels van het Ryan Adams-shirt dat hij al twee dagen draagt. „Aaargh. Ik stink nu echt naar ammoniak.” Naar de rest wapperend: „Ruiken jullie dat?”. „Paul is de bedachtzame van ons twee”, verklaart hij hun tegengestelde karakters. „Ik ben meer de mongool. Maar we hebben bijna nooit ruzie. Of in ieder geval nooit lang. Het is alsof we beste vrienden zijn.”

Een rockband als familiebedrijf voelt soms wel vreemd, geeft Paul toe, zeker gelet op de droevige voorgeschiedenis. „Onze vader is verongelukt toen ik vier was. Hij was veel meer van de voetbal en minder van de muziek. Door Frank leerden wij later Ramones en Nirvana kennen en gingen we steeds fanatieker gitaar spelen.” En na een lange stilte: „Misschien hadden wij nooit een band gehad als mijn vader nog geleefd had. Maar je wil niet weten hoe graag ik deze band dan niet had gehad.”

„So hard to say…”, zingt hij in ‘Dad’, het nummer dat hij in 2010 schreef voor het eerste Paceshifters-album One for the Road. Zeven jaar later is dat gevoel nog niet veranderd, zegt hij: „It’s so long since you’re gone. It’s weird, but I don’t know if that’s right or wrong.”

Vierde bedrijf 4: Bed & Breakfast

Nadat iedereen de nabijgelegen pub is uitgerold, wachten dit keer wél de zachte bedden van Guest House The Windmill. Alleen ruikt het er naar „twee dooie cavia’s” (Seb) of „vijf dooie hamsters” (Paul). Tot half vier wordt het overgebleven bier van de rider weggewerkt: Camden Hell („We vragen altijd om iets lokaals”). De fles Jameson-whisky blijft onaangebroken: alleen geluidsman Bjorn lust het.

De komende weken wordt het afwachten wat de expeditie heeft opgeleverd, zegt Seb de volgende ochtend, als hij bij de Mc Donald’s een vegaburger verorbert. Na het ontbijt is het alweer tijd voor de terugreis. „We hebben weer lekker veel van Londen gezien”, zucht hij als de bus inklimt. „Da’s altijd wel jammer.”