Recensie

Poseren als een appel

Tentoonstelling De Franse schilder Paul Cézanne deed ‘eeuwen’ over zijn portretten. Hij schilderde er zo’n 160. Vijftig van die portretten hangen nu bijeen in Musée d’Orsay in Parijs.

De mens is geen appel. Maar hij zou best wat harder mogen proberen te doen alsof. Hou je mond. Knipper niet met je ogen. Verroer geen vin, ongeacht wat er links, rechts van je gebeurt, in huis of buiten op straat. Zo moeilijk is het niet om de bewegingloosheid van een appel op een fruitschaal in je op te zuigen, er één mee te worden en dan gewoon: appel te zijn. Dat althans vindt de Franse kunstenaar Paul Cézanne (1839-1906).

Eén van de beroemdste mensen die voor Cézanne poseert, is Ambroise Vollard. Vollard is de kunsthandelaar die vanaf 1895, als eerste, werk van Cézanne laat zien in zijn galerie aan de Rue Laffitte in Parijs. De dan nog jonge galeriehouder groeit al rap uit tot een van de grootste wegbereiders van de moderne kunst: hij is degene die Gauguin toont, Van Gogh, Picasso vanaf 1901 en Matisse vanaf 1904. In 1899 begint Cézanne aan een portret van de galerist. Maar de sessies duren – in de woorden van kunstenaar Maurice Denis – ‘eeuwen’. Honderdvijftien keer moet Vollard, van acht uur ’s ochtends tot aan het middaguur, opdraven in het atelier van de kunstenaar om zogenaamd ontspannen met een boek op schoot voor de kunstenaar te zitten. Volgens Cézanne gaat er tijdens de sessies een hoop mis. Het weer helpt al die 115 keer niet mee. Het licht is niet grijs genoeg. Vollard beweegt te veel, waardoor de kunstenaar zijn ‘lijn van concentratie’ verliest. Vollard moet muisstil zijn. Soms schildert Cézanne maar drie of vier penseelstreken per sessie. Eén keer valt Vollard in slaap, waarop Cézanne uitroept: ‘Verdorie, u verandert van houding. Ik heb tegen u gezegd: u moet stilzitten als een appel. Draait een appel in het rond?’ Uiteindelijk is het portret, zo herinnert Vollard zich in 1914, ‘min of meer af’. Cézanne vertrekt in de herfst naar zijn geliefde Aix-en-Provence, met de woorden: ‘Ik ben niet ontevreden over de voorkant van uw overhemd. (-) U moet begrijpen meneer Vollard, de contouren ontsnappen me.’

Hoe ontevreden over het portret van Vollard Cézanne ook is, nu prijkt het als een van de hoogtepunten op de tentoonstelling Portretten van Cézanne in het Musée d’Orsay in Parijs. Het portret van Vollard lijkt ondanks al zijn donkere tinten van kamer en kostuum te sprankelen van licht. Dat komt door het schetsmatige karakter van de voorstelling, de manier waarop de verf in vlakjes en streepjes is opgebracht – met een toets wit op de knokkels en blauw op het voorhoofd - en vooral de geometrische opbouw van het portret. Dat maakt het beeld plat, losgezongen van de materie van stoel, kostuum, muur en menselijk weefsel – en daardoor speels. Het is alsof Vollard een soort Eiffeltoren is, licht en luchtig, opgebouwd uit duizenden korte verfstreken. Het wonder van het moment waarop verf verandert in een gezicht, een kamer, een appel, blijft een raadselachtig wonder.

Blockbuster

Het portret van Vollard is een van de vijftig, chronologisch opgestelde portretten van Cézanne op de blockbuster die Musée d’Orsay deze zomer in haar greep houdt. In haar greep, want door de enorme bezoekersaantallen, de benauwde en bedompte inrichting van de zalen, met op plekken verlaagde plafonds en vies bruin geschilderde muren – echt Cézanne onwaardig – is het behoorlijk dringen. Plan dus een bezoek zorgvuldig en neem de tijd om te wachten tot een portret vrij zicht heeft. Want het is voor het eerst dat zoveel olieverfportretten van Cézanne (maar zeker niet alle, en jammer genoeg geen tekeningen en aquarellen) bij elkaar te zien zijn. Sommige daarvan, met name die uit particuliere collecties, zijn maar zelden getoond.

De expositie is een samenwerkingsverband tussen drie museale mastodonten – het Parijse museum, de National Portrait Gallery in Londen en de National Gallery of Art in Washington en werd al in 2007 bedacht. Het eerste team medewerkers is ondertussen overleden, een tweede team is aangetreden.

De gedachte achter de tentoonstelling is dat de portretten van Cézanne altijd een beetje ondergesneeuwd zijn gebleven, in vergelijking tot de aandacht die er is voor zijn stillevens en landschappen. Of dat terecht is, betwijfel ik. Een paar jaar geleden wijdde het Metropolitan in New York een complete tentoonstelling uitsluitend aan de portretten die Cézanne van zijn vrouw schilderde. En ook op een grandioos overzicht in 1995 en 1996 in de Tate Gallery, Musée d’Orsay en het Philadelphia Museum of Art zijn de portretten als fundamenteel onderdeel van zijn oeuvre gezien.

Cézanne maakt bijna duizend schilderijen, waaronder een kleine 160 portretten. Dat lijkt veel, maar bedenk dat hij 320 landschappen schildert, 190 stillevens, 80 baders, en 130 schilderijen van groepen. Of we het nu hebben over een berg of een appel op een fruitschaal, een landschap in Auvers-sur-Oise (waar hij rond 1873 samen met Pissarro het impressionisme exploreert) of het portret van Vollard: Cézanne is een obsessieve speurneus naar een universele wetmatigheid die onder de oppervlakte van motieven aanwezig zou zijn: voorbij mode, smaak en de vluchtigheid van de tijd.

Zijn motto: kijken ‘met een maagdelijk oog’, alsof je nog nooit eerder naar een motief hebt gekeken, alles vergeten wat je weet en al hebt gezien. Terugkeren naar de essentie van voorwerpen, landschappen, portretten: naar de cirkel, de cilinder, de kegel, naar diagonalen en scheve perspectieven. Zijn werkethos is enorm – een paar uur voor zijn dood in 1906 sleept hij zich, ernstig ziek en verzwakt, nog de tuin in Aix in om aan een portret van zijn oude tuinman te werken.

Cézanne gaat los

Cézannes zoektocht begint braaf en academisch, maar wordt algauw ruw en los. Zoals een metselaar met zijn troffel het cement tussen de bakstenen smeert, zo ‘metselt’ Cézanne in de jaren zeventig van de negentiende eeuw zijn portretten op met verf en een paletmes. Die ontwikkeling is goed af te lezen aan de schilderijen van zijn oom Dominique Aubert, die hij eind jaren zestig (Cézanne dateerde zijn werken bijna nooit) maakt en waarvan er zeven in Parijs zijn.

Wangen, neus, ogen, wenkbrauwen en ringbaard worden bestudeerd als de geologische lagen van het landschap rond Aix of de kale rotsen en zee rond Marseille. Er zijn stukken schraperig en kaal als door de zon geblakerd, andere stukken zijn volvet met verf gesmeerd of pardoes op het doek gedrukt met een paletmes. Echt individuen worden zijn portretten nooit – het is niet dat je denkt: goh, die Dominique zou ik zo herkennen als ik hem op straat tegenkwam.

Hetzelfde geldt voor zijn vrouw Hortense Fiquet, die hij ten minste 44 keer schildert en ontelbare keren tekent. Ze figureert doodstil op de portretten. Haar blik afgewend, haar handen gevouwen, haar japonnen (Hortense was, in tegenstelling tot haar man die zijn kleren droeg tot ze op de draad versleten waren, zeer modebewust) zijn formele oefenterreinen van licht en kleur.

Eén keer maar is Hortense daadwerkelijk iets aan het doen op een schilderij: ze naait. Intieme momenten zijn er zelden: er is één grafiettekening met aquarel uit circa 1885 (niet te zien op de tentoonstelling) waarop Hortense wakker wordt, teer en breekbaar als de witte hortensia op de voorgrond.

Het meest bijzondere schilderij van Hortense op de tentoonstelling heet Madame Cézanne in een gele stoel. Het is geschilderd tussen 1893-1895 en komt uit het Metropolitan in New York. Vier keer schilderde Cézanne zijn vrouw in een rode jurk en gele stoel. Op dit grootste portret in Parijs valt de sjaal van haar jurk in stijve tressen naar beneden. Hortense zit in een ruimte, maar er is van alles mis met het perspectief. Alleen de spiegel linksboven en de schoorsteenmantel daar vlak onder zijn in evenwicht. De rest lijkt schots en scheef te staan.

Het is een manier van werken die Cézanne ook toepast in de landschappen die hij rond die tijd schildert. Twee en drie dimensies lossen elkaar af: een idee dat later door de kubisten is ontwikkeld tot abstractie. Zo ontstaat een merkwaardige non-ruimte, waar mevrouw Cézanne als een melancholieke paspop in zichzelf gekeerd aanwezig is en toch afwezig. De bloem die ze op haar schoot in haar vingers houdt, kan net zo goed in volle bloei zijn of al aan het uitvallen. Wij als kijker zien dat niet. Het doet er ook niet toe.