Column

(On)gebruikte medicijnen

De vraag overviel me. Ik stond bij de toonbank een beetje afwezig toe te kijken hoe de apothekersassistente mijn medicijnen verpakte, toen ze opkeek en iets te luid en iets te duidelijk vroeg: „Hoe is uw nierfunctie?” Het was een jonge vriendelijke vrouw met een sierlijke blauwe hoofddoek.

Achteraf besefte ik dat apothekers zulke vragen moeten stellen om te controleren of je een ziekte hebt die door het bewuste medicijn verergerd zou kunnen worden. Maar op het moment zelf reageerde ik met een verbluft: „Uitstekend”. Ik keek achter me, maar gelukkig was ik de enige klant. Stel nu eens dat de zaak vol had gestaan met ongeduldige klanten en ik had moeten antwoorden: „Niet best”, hoe had het gesprek zich dan verder ontwikkeld? Misschien zó.

Zij: „U heeft specifieke klachten?” Ik: „Jazeker, ik heb bloed in mijn urine.” Zij: „Wat zegt uw huisarts daarvan?” Ik: „Die kan niks vinden.” En zo verder. Achter mij beginnen klanten te kuchen en te schuifelen, sommige luisteren geïnteresseerd toe.

Nu is ‘nierfunctie’ nog een betrekkelijk neutraal begrip, maar wat als de assistente intiemere gebieden moet betreden? Krijg je dan vragen als: „Hoe gaat het met de stoelgang?” en „Hoe is het met uw libido gesteld?”

Mijn voorstel aan de apothekerswereld is om voor deze gesprekjes naast de balie een vertrek in te richten, waar je de assistente privacygevoelige informatie kunt verstrekken. Als ik aambeien heb (nee, nog niet gelukkig, dank u) wil ik daar best over praten met een apothekersassistente, maar niet terwijl mijn achterbuurman geboeid meeluistert en misschien zelfs met ongevraagde adviezen komt: „Was je je wel met koud water als je geweest bent?”

Ja, dat wordt een heel gedoe voor de apotheken, maar ze worden toch ook betaald voor deze gesprekjes? Terhandstellingskosten, heet dat – een woord dat vermoedelijk is uitgevonden door iemand met een vrij zwakke nierfunctie.

De omgang met medicijnen kent nog een andere complicatie. De helft van de in Nederland verstrekte medicijnen zou nooit gebruikt worden, heb ik wel eens gelezen. Als ik op mezelf mag afgaan, vrees ik dat het klopt. Er kunnen allerlei redenen zijn waarom je een medicijn niet meer wil gebruiken: bijwerkingen, uitblijvende genezing, maar ook snelle genezing.

Wat te doen met al die ongebruikte medicijnen? De apotheker vraagt of je ze wilt terugbrengen, maar daarvoor voel ik een zekere huiver. Wat zal hij wel niet van mij denken als ik hem zijn doosjes ongeopend teruggeef? „Die krijgt nooit meer één pil van mij?”

Daarom zocht ik koortsachtig naar andere wegen. Bij het gewone afval dumpen is een milieumisdaad. In Amsterdam hadden we voor klein chemisch afval de chemokar, maar die is dit jaar afgeschaft, tot terechte boosheid van GroenLinks. Je moet nu naar afgelegen afvalpunten, wat tot gevolg zal hebben dat half Amsterdam zijn chemisch afval bij het gewone afval stopt - leve het milieu. Maar voor medicijnen heeft de gemeente nog een ander voorschrift: die moeten terug naar… de apotheker.

Ik voel mijn pootjes al hangen. Straks moet ik me verantwoorden tegenover diezelfde assistente die me naar mijn nierfunctie vroeg. Welke smoes zal ik verzinnen? Dat ik ongeneeslijk ziek ben geworden?