Column

Nouri

Ik was met een fotograaf op weg naar Heerenveen. We stopten bij Van der Valk omdat ik moest plassen. In de gang stond een schoonmaker te snikken naast een emmer sop. Het was een blonde man van bijna twee meter. Van hem hoorde ik dat Abdelhak – ‘Appie’ – Nouri nooit meer zal voetballen.

„Blijvende hersenbeschadiging.”

Ik keek in blauwe, natte ogen.

Hij: „Meneer, ik heb nog nooit gehuild. Ook niet toen mijn vader ging. Ik herken mezelf niet.”

Op Radio 1 hoorde ik het nieuws nog een keer.

Blijvende hersenbeschadiging, kans op herstel nihil en Ajax-directeur Edwin van der Sar die zei „dat we nooit zullen weten hoe ver zijn ster gereikt zou hebben als dit niet was gebeurd”.

Daarna verslaggever Joep Schreuder die alles nog een keer op z’n Joeps samenvatte: al jaren het grootste talent van Ajax – aardige jongen – aaibaar – blos op de wangen – frêle schouders die de druk aankonden – geliefd bij iedereen – hartritmestoornissen – gereanimeerd in een tent op een veld in Oostenrijk – met een traumahelikopter naar een ziekenhuis gebracht en dan nu dit verschrikkelijke nieuws terwijl er eerder nog hoopvolle berichten naar buiten sijpelden.

Net voor de grote doorbraak.

Ik kende hem alleen van de samenvattingen, genoeg om te weten dat ons iets is ontnomen

Een dag voor de hartstilstand nog een interview met Het Parool. Kop: ‘Ik droom ervan ooit aanvoerder te zijn van Ajax’.

Zelf kende ik Nouri alleen van de samenvattingen van Jong Ajax bij Fox. Te weinig om te zien hoe goed hij was, genoeg voor het gevoel dat ons iets is ontnomen.

Aan het nieuws viel helemaal niets toe te voegen, maar dat gebeurt dan toch. Cameraploegen trokken naar plekken, zijn pleintje in de wijk Geuzenveld en naar de fanshop bij de Johan Cruijff Arena, waar het verdriet zichtbaar was. Iedereen vond hetzelfde, ik ook. De behoefte om dezelfde mening ontelbare keren te herhalen was groot: „Verschrikkelijk.”

Ik kwam met fotograaf uiteindelijk wel in Heerenveen, waar de PvdA samenkwam in een wijkcentrum. Ze droegen rode jassen en hadden veel te zeggen.

Ik luisterde wel naar ze, maar ik hoorde ze niet. Er waren zinnen uit de berichtgeving blijven hangen. Dat zijn familie opriep om „de smeekbeden voor een goede afloop niet te staken” raakte me, omdat ik de ellende en wanhoop voor me zag. Ik dacht aan de schoonmaker die voor het eerst had gehuild bij de toiletten van een Van der Valk Hotel en was met terugwerkende kracht blij dat ik zijn tranen had gezien. Het was echt.