Column

Nee-nee-sticker voor winkelstraten

‘Kort vraagje meneer…” Met straatverkopers is het net als met honden: nooit oogcontact maken. Maar soms heb je de pech van een goed humeur. En dan glimlach je breed terug, naar zo’n jongen met klembord en foldertjes, zoals nu, op het Noordeinde. Daar is het welkomstvraagje („Vindt u duurzaamheid belangrijk?”). Daar zijn de andere trucjes die hij leerde op z’n training: het handjes schudden, het uitdeelcadeautje (acaciazaadjes, in een ‘CO2-compensatiezakje’), het blij aankijken.

Je wilt aardig gevonden worden, je gunt zo’n jongen het minisuccesje van de geslaagde contactlegfase. Al die halfbewuste mechanismen bij de confrontatie met een ander menselijk wezen zijn in werking getreden. En daar hang je dan, boven een vrolijke infographic. „En wat doet u zoal om duurzamer te zijn?” Geen zak natuurlijk. Of in elk geval minder dan tegen figuren als hij.

Het bel-me-niet-register, de nee-nee-stickers, de spamfilters, je unsubscriben uit doorgeglipte mailings. Gek toch, dat je je overal kunt beschermen tegen reclame-aanvallen, behalve nu juist in de fysieke, publieke ruimte. Alsof je wel firewalls kunt optrekken, maar jezelf niet mag inenten.

De winkeliers zijn die opdringerige praatjesmakers spuugzat, omdat ze klandizie wegjagen bij hun etalages. Detailhandel Nederland wil nu dat gemeenten tegen ze optreden. Tilburg en Zwolle gaan hun ruimte al inperken. In Leiden stemt de gemeenteraad na de zomer over een algeheel verbod.

Inmiddels houdt de jongen triomfantelijk een uitklapkaart in de lucht. „En de volgende keer dat het hard waait denk jij aan…” Het kartonnetje tuimelt open. „Jouw eigen windmolentje!”

Blijkbaar is deze plaag niet eens zo kansloos, anders bleven bedrijven ze niet de straat op sturen. Ook deze krant doet het, al is een gratis krantje uitdelen net iets minder irritant.

Tam laat ik me mijn adresgegevens ontfutselen, en dat hij daarmee mijn energiejaarverbruik uit z’n iPad tovert verbaast me minder dan gepast is. Uiteindelijk breekt de lastige fase aan waarbij je vriendelijk bedankt, en verandert in die lul die zo’n jongen z’n provisie door de neus boort.

Of je nu op zo’n aanbod bent ingegaan of ‘nee!’ hebt moeten snauwen op de vraag of je een kleinigheidje kunt missen tegen kinderkanker, je humeur heeft toch een deukje opgelopen, en als dat vijf keer in tweehonderd meter gebeurt, snak je naar een nee-nee-sticker voor in winkelstraten. Zeker, klein leed, vergeleken met afbrokkelende ijskappen, maar daar kunnen onze gemeenten minder makkelijk tegen optreden.

Nou ja, behalve door acaciazaadjes te planten dan.