Recensie

Kunst als piepschuim: volumineus en vederlicht

Beeldende kunst Over de ongrijpbaarheid van het leven, tijd, het internet en het tragische lot van de mensheid zou het nieuwe werk van Gabriel Lester moeten gaan. Probleem is alleen: je ziet het niet.

Er zit nogal een kloof tussen de beelden in Aeon en de betekenis die kunstenaar Gabriel Lester aan ze toedicht. Foto Désirée van Hoek

Eerst moeten we even constateren dat Aeon, de nieuwe installatie van Gabriel Lester in het Groninger Museum opvallend slap is, zodat we het daarna over ambitie kunnen hebben. Want geen misverstand: Lester is ambitieus. Hij maakt grote en complexe installaties, deed al eens mee aan de Documenta en aan de Biennale van Venetië en exposeert over de hele wereld, van New York tot Moskou en van Shanghai tot Stockholm. Inhoudelijk streeft hij ook grote doelen na: de inleidende tekst bij Aeon rept al in de eerste alinea over Nietzsche en diens ‘ewige Wiederkehr’ om vervolgens via sterrenkunde en zwarte gaten uit te komen bij de rizoom-theorie van filosofen Deleuze en Guattari (die zelf niet worden genoemd). De ongrijpbaarheid van het leven en het melkwegstelsel, tijd, het internet en het tragische lot van de mensheid, het zit er volgens de teksten allemaal in.

Alleen: je ziet het niet.

‘Wall of Death’

Wat je wel ziet is andere koek. Lester heeft in het (notoir lastig in te richten) Coop Himmelblau-paviljoen van het museum met piepschuimen blokken drie grote cirkelvormige projectieruimtes gebouwd, waarin drie korte films draaien. Elk van die films is opgenomen op een andere locatie. De eerste, Eternal Return, speelt in een zogenaamde ‘Wall of Death’ in India, een ton-vormige racebaan waarin stuntmannen tegen een verticale wand met hun auto rondjes rijden – door de centrifugale kracht plakken ze als het ware tegen de wand, wat een adembenemend gezicht is. In de tweede film, Event Horizon, rijdt een zwarte bus door een donker bos terwijl de chauffeur filosofeert over het lot van de mensheid. In de derde, Multiverse, zien we een vrouw in een auto rondjes ‘spinnen’ op een verlaten industrieterrein – door het draaien raakt ze gehuld in rook, waardoor de auto grotendeels aan het zicht wordt onttrokken en er een onbestemde wolk net boven het plaveisel lijkt te zweven.

Foto Désirée van Hoek

Maar er zit dus nogal een kloof tussen de getoonde beelden (racebaan, bos, bus, auto) en de betekenis die Lester aan ze toedicht. De oplossing die hij heeft gekozen om die kloof te dichten is echter helder: Lester zet vol in op symboliek. Als toeschouwer snap je meteen dat niets in deze films louter is wat het is, elk beeld, elke beweging staat óók voor iets anders. De Wall of Death is (oh ironie) natuurlijk het leven, het eeuwige rondjes rijden verwijst naar Nietzsche (en waarom ook niet, naar Sisyphus), de bus is een zwart gat, het bos het heelal, de rook de eeuwigheid en ga zo maar door. Daarbij houdt Lester de spanning erin door in elke film een zwarte kraai te laten opduiken en een klein belletje dat klingelend op straat valt – wat zouden die betekenen?

Het heelal, nou ja, daar krijg je dus ook al niet makkelijk vat op

Nietszeggendheden

Daar zit ook de eerste ergernis. Als toeschouwer begrijp je dat je wordt geacht de beelden te interpreteren, dat je de puzzel moet oplossen, maar als je dat doet gebeurt er eigenlijk niks: je hebt in je hoofd de zichtbare werkelijkheid ingewisseld voor een metaforische wereld. Maar, dat is erger: die nieuwe wereld bestaat bijna volledig uit nietszeggendheden en clichés – het leven is ongrijpbaar, het lot is onvermijdelijk en het heelal, nou ja, daar krijg je dus ook al niet makkelijk vat op. Dat is Lesters eigen schuld: hij houdt de kloof tussen de zichtbare beelden en de bedachte betekenis zo groot dat er nauwelijks plaats is voor complexe ideeën. Vrijblijvendheid en gemakzucht zijn hier troef.

Dit alles wordt nog eens versterkt door de opvallend achteloze wijze waarop Lester het werk presenteert. De piepschuimen cirkels zijn op zich een vondst, maar doordat ze van boven open zijn, de projectoren zelf van matige kwaliteit zijn en het wit van het schuim reflecteert op de projecties en , is het net alsof je de films in semi-daglicht bekijkt – het gaat best, maar je houdt óók het gevoel dat Lester niet erg in jouw kijken, jouw ervaring, is geïnteresseerd.

Dat is precies wat me aan deze tentoonstelling intrigeert. Lester kiest er welbewust voor de stappen tussen het zichtbare, de mogelijke symbolische betekenis en zijn eigen ideeën heel groot te houden. Daar kan de toeschouwer vervolgens twee kanten mee op. Je kunt je dom en onmachtig voelen en afhaken, of je kunt je laten uitdagen en gretig tastend aan het interpreteren slaan. Precies dat laatste verklaart vermoedelijk een groot deel van Lesters populariteit: (internationale) curatoren houden erg van kunst waar een aura van complexiteit en ongrijpbaarheid omheen hangt en die zich toch gemakkelijk laat inpassen in een ambitieus tentoonstellingsconcept. Om eerlijk te zijn bleef ik zelf achter met het gevoel dat het piepschuim het meest geslaagde symbool van de installatie was: volumineus en vederlicht – maar zelfspot maakt geloof ik geen voornaam onderdeel uit van Lesters begrippenapparaat.