Cultuur

Interview

Interview

Foto Lars van den Brink

‘Ik ben geen goeroe’

Jet van Nieuwkerk schrijft kookboeken, Samuel Levie is worstenmaker. Allebei wisten ze al jong dat ze iets met gezond eten wilden doen; allebei vragen ze daarbij soms te veel van zichzelf. ‘Ik vraag me wel eens af: zijn we niet doorgeschoten?’

Jet van Nieuwkerk (27) bracht het afgelopen jaar twee boeken uit. Het boek van Jet, een persoonlijk kookboek gericht op jonge vrouwen, verscheen vorig jaar mei, in januari volgde Tips van Jet. Ondertitel: 100 tips voor een happy & healthy leven.

De eerste tip stond meteen in het voorwoord: leg de lat wat lager voor jezelf. En jij? Wil jij ook alles perfect? Elke dag beeldig, slank en blij de wereld tegemoet? Schei toch uit. DAT KAN HELEMAAL NIET. Ik ga je vertellen hoe je de lat lager legt en je leven leuker maakt.

Toen Tips van Jet uitkwam zat Jet van Nieuwkerk thuis, overwerkt. „Ik had me al een tijdje aan geen enkele van mijn eigen tips gehouden.” De lat lag te hoog.

Ze vertelt dit niet meteen. Ze vertelt het pas na een klein half uur, als Samuel Levie (34) al een paar keer heeft gezegd hoe moeilijk híj het vindt om de balans te houden tussen werken en niet werken. „Mijn dochtertje van één zie ik te weinig. Nu al.” Over de twee mede door hem opgerichte bedrijven: „Minder dan veertig uur werken was geen optie, zestig was nog beter. We gingen samen de wereld veroveren, dan geef je alles.”

Samuel Levie is de helft van Brandt & Levie, een bekend merk voor eerlijke worsten. Zijn andere bedrijf is Food Cabinet, een projectbureau dat evenementen en campagnes organiseert voor een duurzamer voedselsysteem. Jet van Nieuwkerk schrijft boeken en columns, is actief op social media en heeft sinds kort een eigen tv-programma, Foodmakers. Ze zijn beiden jong, beiden bezig met gezond eten en allebei worden ze gedreven door idealen.

En, blijkt dus nog voor we aan tafel gaan: ze staan voortdurend onder druk om te presteren.

Maar er is ook een verschil, dat gaat over twijfel aan jezelf. Jet tegen Samuel: „Ik vind jou supercool, maar ik dacht dat jij mij dat wel niet zou vinden. Ik was echt verrast dat je ja zei tegen dit gesprek. Ik vind koken leuk, maar ik ben geen chef.”

„Dat is niemand echt.”

„Maar jij wel meer dan ik.”

„Nou, als ik zie hoeveel volgers jij hebt… Je bent maar een klein beetje later in die hele voedselwereld terechtgekomen, maar er zijn nu veel meer jonge mensen bezig met gezond eten.”

Vindt hij daar iets van? „Soms vraag ik me wel eens af: zijn we niet doorgeschoten? Zoveel als we nu met eten bezig zijn, dat is ook niet gezond.”

‘Het frituurt je hersens’

Dus daarover zal het gesprek ook gaan, van ’s middags vijf uur tot ’s avonds elf: hoeveel werk en aandacht voor eten is gezond, wanneer wordt het obsessief?

Jet: „Ik ben eigenlijk net weer terug, na drie maanden niks doen. Daar baalde ik wel van: ik weet zo goed hoe je gezond moet leven en dan bak ik er zelf niks van. Maar iedereen die ik het vertelde zei: oh ja, dat voel ik ook, ik zit er ook bijna tegenaan.”

Samuel Levie is gaan sporten – „ik merk dat dat me helpt” – en in zijn bedrijven is een verbod gekomen op telefoons en laptops tijdens vergaderingen. „De hoeveelheid input die anders de hele tijd op je afkomt: het frituurt je hersens waar je bij staat.”

En oh ja, hij is een halve dag korter gaan werken.

Jet, lachend: „Dus zesenhalve dag in plaats van zeven?”

„Ja, precies. En in die halve dag schrijf ik dan mijn column, haha.”

Jet van Nieuwkerk is over haar overspannenheid heen, merk je. Het hele gesprek lang is ze vrolijk en alert, soms stelt ze ook zelf vragen („interviewen vind ik leuk, ik ben geïnteresseerd in mensen”).

Hoe begon het? En wat deed ze om er vanaf te komen? „Ik was meer dan moe. Eerst dacht ik dat het een winterdip was, waar ik eigenlijk altijd wel last van heb. Maar het duurde langer, ik werd steeds somberder en mijn agenda liep maar vol. Toen dacht ik: ik geloof dat het te veel is geweest allemaal. En dat zei mijn agent ook. Die zei: je moet bijslapen.”

Samuel, misschien heeft hij er zelf ook wat aan: „Wie is jouw agent?”

Jet noemt een naam.

„Dus die helpt je met dit soort beslissingen?”

„Ja, ze is heel streng.”

„En wat doe je nu? Om te zorgen dat het niet weer gebeurt?”

„Ik zet kruisen in mijn agenda: vandaag niet. Vroeger dacht ik: ik kan altijd werken. Nu neem ik vrij.”

Zeven uur, we zitten aan tafel: een zaaltje op de eerste verdieping, de bediening klopt aan voordat iemand met de gerechten naar binnen komt: ze willen het gesprek niet storen.

„Ik heb granola voor je meegenomen”, zegt Jet tegen Samuel. Ze schuift een zakje naar hem toe: zelfgemaakte Granola van Jet, die ze in de supermarkt wil gaan verkopen.

„Ai”, zegt Samuel. „Ik ben de worsten vergeten.” Die had hij voor haar willen meenemen.

Op de kaart staat veel vis, wat vlees, maar ook: pizza salami. Samuel: „Dat kan heel lekker zijn, als de salami goed is.”

Vroeger, vertelt hij, moest hij altijd huilen in een restaurant. „Ik kon niet kiezen. Ik koos ook altijd het verkeerde.” Ook vanavond kijkt hij het langst op de kaart. Het wordt lam voor hem, zeebaars voor haar. Vooraf: voor Samuel de lasagne van geitenkaascrème, antiboise en courgette, voor Jet tonijn. Samuel zal later zeggen dat hij nooit tonijn neemt in een restaurant: „Je weet niet waar het vandaan komt.”

Ik ging niet meer uit eten, ik ging niet meer naar verjaardagen. Want als ik dat zou doen, dan had ik het niet meer onder controle.

De geur van tomaten

Allebei kregen ze de liefde voor eten van huis uit mee. Zijn eerste herinneringen aan eten, zegt Samuel, zijn Engelse herinneringen. Tot zijn derde woonde hij in Engeland, en daarna kwam hij er vaak, op vakantie bij zijn opa en oma. Die hadden een mooi, oud huis in Cornwall. Als er werd gekookt, dan werd eerst gekeken: wat staat er in de tuin. Voor vis ging je naar de haven, voor graan naar de molen. Voedsel kwam van dichtbij. Het is vooral de geur van tomaten uit de kassen van zijn opa die hem is bijgebleven. „Die geur brengt me direct terug naar mijn jeugd.”

Samuels vader was vakbondsman en gemeenteraadslid in Amsterdam, zijn moeder werkte voor een organisatie die tot doel had mensen in ontwikkelingslanden toegang te geven tot medicijnen. Omdat zijn ouders het druk hadden, was het vaak de oppas die kookte: kip-kerrie met ananas, rijst met sperzieboontjes. Als jongetje ging hij zijn eten zelf lekkerder maken: een pannetje opzetten, wat uitjes snipperen, de boontjes met sambal erbij terug in de pan. „Ik denk dat ik een jaar of zes was toen ik mijn eerste taart bakte, terwijl m’n ouders lagen te slapen. Toen heb ik gezegd dat ik kok wilde worden.”

Ook de ouders van Jet leidden een druk leven. Hij als journalist, zij als onderwijzer. Schrijven deed haar moeder ook: restaurantrecensies voor het Algemeen Dagblad, onder de naam ‘Dames Reiziger’. Jet ging vaak met haar mee. Het waren niet altijd dure restaurants, vertelt ze, en ze reisden er het hele land voor door. „Daardoor heb ik eten leren waarderen.” Ook koken, zegt ze, heeft ze in de eerste plaats geleerd van haar moeder. En van haar oma. „Mijn vader heb ik nooit met een pannetje in zijn hand zien staan.”

Op haar tiende kwam ze met haar ouders in Restaurant Amsterdam, een groot restaurant op het terrein van de voormalige Westergasfabriek. Ze zag de bediening, leuke jonge mensen die veel lol hadden, en dacht: dat wil ik later ook. Op haar veertiende ging ze er stiekem – want nog te jong – tafels dekken.

Foto Lars van den Brink
Foto Lars van den Brink

Maar op haar zestiende kreeg ze ook last van dat eten: orthorexia nervosa, een obsessieve combinatie van weinig eten en overmatig sporten. Jet: „Ik ging niet meer uit eten, ik ging niet meer naar verjaardagen. Want als ik dat zou doen, dan had ik het niet meer onder controle. M’n vriendinnen werden ongerust, mijn ouders. Dat was het moment – ik was toen achttien jaar – dat ik dacht: ik moet er nu wat aan doen. Uiteindelijk heb ik wel zeven jaar hulp gehad.”

Wat zeiden je ouders, vragen wij. Jet: „Die oordeelden nooit, ze steunden me alleen maar. Maar ik voelde me wel altijd een beetje anders. Ik deed vmbo, mijn ouders zijn allebei van het gymnasium en m’n broer ook. Ik ben dyslectisch, zij hebben een schrijversachtergrond.”

Ontstond die eetstoornis ook door dat soort verschillen? Resoluut: „Nee, mijn ouders hebben me altijd in alles gesteund. Het idee dat ik wat minder was dan zij heb ik echt mezelf aangepraat.”

Samuel: „Kun je je voorstellen dat je afglijdt en opnieuw problemen krijgt?”

Jet: „Nee, maar eten blijft wel een thema. Als ik overspannen ben, dan is dat toch… Dan kun je jezelf verliezen in niet goed voor jezelf zorgen.”

Bedoelt ze dat ze dan weer te streng is voor zichzelf? „Ja. En dat vond ik heel confronterend. Je komt er nooit helemaal vanaf. Maar ik heb er wel iets positiefs van gemaakt, vind ik.”

Samuel: „Ben je niet bang dat andere jonge vrouwen je nu zien als iemand die vooral bezig is met sporten en gezond eten, zodat ze je eigenlijke boodschap missen?”

Jet: „Daar moet ik voor waken, ja. Maar ik weet niet of ik dat soort meisjes aantrek, hoor. Het zijn toch echt meisjes die op zoek zijn naar de balans.”

En Samuel? Hoe is het voor hem om altijd met eten bezig te zijn? Hij is de laatste jaren wat aangekomen, kun je zien. „Soms gaat het me wel eens vervelen. Waar ik ook kom: mensen willen me iets laten proeven. En altijd wordt er over eten gepraat.”

Foto Lars van den Brink

Worst-tour in Italië

Ook Samuel wilde graag in een restaurant werken. Maar zijn ouders zagen liever dat hij ging studeren. Het werd een compromis: hij ging werken in een keuken en studeerde daarnaast, politicologie. Als hij kookte gingen de gesprekken over de vraag wat mooie ingrediënten waren, welke gerechten je daarvan kon maken en hoe je die voor zoveel mogelijk geld verkocht. In de collegebanken kwam de voedselproblematiek voorbij als een van de grote maatschappelijke thema’s. Maar daar, op de universiteit, wisten de mensen weinig van wat echt eten was. Het werd zijn missie om een brug te slaan tussen die twee werelden, tussen beleidsvraagstukken en de praktijk.

En waarom worst? Toen hij begin twintig was, vertelt hij, werd ook hij overspannen. Hij studeerde, werkte, had een cateringbedrijf met twee vrienden. Met één van hen, Jiri Brandt, woonde hij ook in een huis. Op een ochtend werd hij wakker en dacht: ik wil dit niet meer. Ze besloten samen een reis te maken, maar dan niet zomaar met een rugzak op pad: „We wilden wel iets nuttigs doen.” Omdat ze al eens worsten hadden gemaakt, en omdat ze Carlo Petrini kenden van de slow food-beweging, werd het een worst-tour in Italië. Het plan dat ze daaraan overhielden: de beste worst van goed gehouden varkens maken, ín Nederland.

Tijdens zijn worst-tour zag hij voor het eerst hoe varkens werden geslacht. Samuel: „Ik denk nog elke week na over de vraag: vind ik dat we vlees moeten eten? Ik denk dat het moet kunnen. Ik hou ook heel erg van vlees. Maar de eerste keer dat je dat ziet: een dier krijgt een schok, het wordt opgehangen, de keel wordt doorgesneden, het bloedt leeg. Dat is vrij graphic: je ziet een levend dier veranderen in een stuk vlees.”

Zou Jet een slacht willen zien? „Nee, ik zou niet weten waarom. Het lijkt me veel te heftig.”

Samuel: „Het zou wel een mooie aflevering zijn van Foodmakers. Ons team gaat ook altijd mee naar de slacht. Als je vlees wil eten, dan moet je weten hoe dat gaat.”

Soms gaat het me wel eens vervelen. Waar ik ook kom: mensen willen me iets laten proeven. En altijd wordt er over eten gepraat.

Jet: „Als ik er een programma van zou maken, ja dan misschien wel. Maar niet uit mezelf.”

Samuel: „Eet je wel kreeft?”

Jet, enthousiast: „Kreeft! Ik heb stage gelopen in Hotel de Paris in Monaco. Daar kwamen elke dag vier dozen met levende kreeften binnen. En die moesten natuurlijk recht op het bord komen te liggen. Ik moest zúlke pennen van onder – hop, door hun kop – naar boven steken. Ik heb na een paar dagen gezegd dat ik dat niet meer deed. Maar het is best raar, want ik bestel wél kreeft.”

Wat ze níet doet: „Koken uit pakjes en zakjes.” Háár missie: jonge mensen gezond leren eten, maar zonder al te streng te zijn. Dat is wat haar onderscheidt, hoopt ze, van de vele fitgirls die het alleen te doen is om een killerbody. Ze krijgt nu mailtjes van meisjes die worstelen met de vragen die zij als tiener ook had.

Samuel: „Wat schrijven die?”

„Wat voor hulp heb jij gehad? Hoe vertel je het je vriendinnen? Je moeder? Je merkt aan de reacties dat het moeilijk voor ze is om een evenwicht te vinden: er zijn zoveel prikkels en trends. Dan moet je weer avocado’s eten, dan is er weer een nieuwe sport. Ik ben blij dat ik die eetstoornis had in een periode zonder social media. Meisjes van nu hebben volgers die elke dag een duimpje geven als ze weer een foto plaatsen omdat ze hebben gesport: ga zo door. Een foto van een slank lijf: weer een hartje erbij.”

Samuel: „En die mailtjes beantwoord je allemaal persoonlijk? Legt dat niet een enorme druk op je?”

„Nee, maar het raakt me wel altijd. Dat is ook de reden dat ik nu regelmatig een Dag van Jet organiseer, waarop we samen sporten, eten, praten. Ik wil die meisjes zien. En ik wil ook dat ze iets van elkáár leren. Ik ben geen goeroe.”

Toen ze overspannen was, zegt ze, besefte ze hoe alles van haar afhing: „Ik ben mijn eigen merk, dat vond ik opeens een benauwend idee. Ik dacht: er moet ook iets zijn dat doorgaat als ik er een tijdje niet ben.”

Biologische snippers

Dat kan de Granola van Jet worden, als die in de supermarkt komt te liggen. Hoe pakt ze dat aan? „Het is nog een beetje een proces. Ik wil dat als ik hem verkoop, hij net zo smaakt als deze. Dus wil ik wel bepalen in wat voor keuken hij wordt gemaakt. En dat de vruchtjes op een houten plank worden gesneden, met de hand. Anders wordt het kleverig.”

Samuel, voorzichtig: „Als je het in de supermarkt wilt verkopen, moet je aan allemaal regels voldoen.”

Jet: „Dus moet ik me afvragen hoe ik kan zorgen dat het toch kleinschalig blijft.”

Samuel, toch maar: „Bij ons zijn er wel een paar dingen veranderd sinds we zijn gaan opschalen. Niet onze visie op de varkenshouderij, daar houden we aan vast. Maar ik weet nog dat ik altijd zei: onze worsten worden met de hand geknoopt. En met dertig, veertig worstjes lukte dat ook wel, zelfs met honderd kon het nog. Alleen: aan het einde van de dag had iedereen pijn aan zijn handen. Maar nu hebben we een machine die het doet. Klik klik. En dan zit er een knoopje in de worst. Als je gaat opschalen moet je nadenken over welke dingen je echt belangrijk vindt, waar je visie zit. Dus als ik jou hoor zeggen: granola snijden op een houten plank…”

An sich is werken voor een supermarkt geen probleem, vinden ze allebei. Samuels Food Cabinet ontwikkelde voor Albert Heijn de campagne De leukste appels om te geven!, om jonge mensen weer meer appels te laten eten. Jet was op uitnodiging van de AH Foundation in Ghana, waar ze zag hoe mango’s en papaya’s worden voorverpakt.

Samuel: „Ik ben niet principieel tegen grote supermarkten. Ik ga er zelf ook naartoe en dan is het fijn als er goeie producten liggen.”

Maar zíjn worsten liggen er niet: „Alle grote supermarkten zijn wel een keer langs geweest, om te vragen of ze ze mogen verkopen. Dan gaat het meteen over de prijs: zitten ze je voor te rekenen hoe het goedkoper kan, dat je ook met biologische snippers kan werken. Maar wij doen geen concessies aan onze grondstoffen.”

En Jet? Hoe was het voor haar om te schrijven over fruit in bakjes, iets waar ze eigenlijk tegen is? „Het heeft voor mij wel iets tegenstrijdigs, zo’n project. Maar er was daar nu wel werkgelegenheid die er eerst niet was.” Schreef ze op: beste klant, eigenlijk moet u geen voorverpakt fruit kopen? „Nee, dat heb ik niet gedaan.”

Samuel: „Zo werkt het ook niet. Hooguit kun je tegen je opdrachtgever zeggen dat je uiteindelijk toch niets schrijft.”

Het vaderschap heeft mijn idealisme opnieuw aangewakkerd.

Broccoli

Jet van Nieuwkerk is in de voetsporen van haar ouders getreden: ze schrijft en sinds dit voorjaar maakt ze ook tv, net als haar vader Matthijs van Nieuwkerk. Foodmakers wordt uitgezonden op zondagochtend. „Zoveel mensen kijken er niet, dat is wel fijn om mee te beginnen. Maar ik vind het veel leuker dan ik had gedacht.”

Samuel: „Is dat iets waar je het met je vader over hebt? Die kan je er natuurlijk veel over leren.”

Jet: „Hij blijft op een afstandje. En ik vraag alleen om zijn mening als ik daar zin in heb. Soms moet ik een presentatietekstje zeggen, een keer was dat over broccoli en dat ging niet zo lekker. Ik was moe, ik had niet goed geslapen. Ik zei ook nog een paar keer bloemkool in plaats van broccoli, het moest wel tien keer over. Dat vertelde ik. En dan zegt hij: ja ja, dat moet je er eigenlijk wel in drie keer op hebben staan.”

Poeh.

„Ja, hij is kritisch. En ik dacht ook: hállo, jíj hebt altijd een autocue. Maar hij heeft misschien wel gelijk. En hij is ook megatrots, dat laat hij heel erg merken.”

Tijdens het ontbijt opent Samuel het zakje Granola van Jet.

Jet: „Is het lekker?”

Samuel: „Hmm, de yoghurt die ze hier hebben is niet zo…”

Jet: „Veel te dik.”

Samuel: „… maar jouw granola is echt heel lekker.”

Is er nog iets dat ze vergeten zijn te zeggen? Ja, zegt Jet: hoe belangrijk haar moeder en oma voor haar zijn. Die lezen alles wat ze schrijft voordat het naar de eindredactie gaat.

Samuel heeft tot drie uur liggen malen, vertelt hij. Dat kwam door het laatste gespreksonderwerp van de avond: in welke wereld zet je je kinderen neer?

Jet had gezegd dat ze haar hele leven al kinderen wil, maar dat het nu nog niet aan de orde is, „ik ben nog te veel met mezelf en mijn eigen angsten bezig”.

Lees ook het zomeravondgesprek van vorige week, met Hanna Bervoets en Adriaan van Dis: ‘Je bent een intelligente schrijver. Veel slimmer dan ik’

Samuel vertelde over zijn Surinaams-Hindoestaanse vriendin („Over twee weken gaan we trouwen”) en hun dochtertje van één. Dat dochtertje was de reden dat hij vorig jaar betrokken raakte bij IEDER1 van de acteur Nasrdin Dchar, een beweging voor meer eenheid in de samenleving. Samuel: „Het vaderschap heeft mijn idealisme opnieuw aangewakkerd.”

Aan het ontbijt: „Ik kon er niet van slapen. Dat mensen als mijn dochtertje in dit land als minderwaardig kunnen worden weggezet… We moeten nog zoveel meer doen… Met eten en met duurzaamheid, maar ook met allemaal andere dingen. En hoewel ik best een hoopvol mens ben, denk ik dan als ik wakker lig: gaan de veranderingen wel snel genoeg? Doe ik wel genoeg?”