Column

Het populisme voorbij? Vergeet ’t maar

Eind goed, al goed, zullen veel Europeanen denken als zij met vakantie gaan. Begin dit jaar hield menigeen zijn hart vast voor een ‘populistische’ ommekeer op het continent. Die was niet langer ondenkbaar, na de schokken van Brexit en de zege van Donald Trump in de Verenigde Staten. Maar een gematigde verkiezingsuitslag in Nederland en de Franse nederlaag van Marine Le Pen tegen Emmanuel Macron hebben de gemoederen bedaard. Nu nog de verwachte walk-over van Angela Merkel bij de Bondsdagverkiezingen van september, en het varkentje lijkt gewassen.

Zou het? Er komen nog verkiezingen in Oostenrijk en Italië, al zijn de laatste zo te zien nog wel even weg. Maar belangrijker is de vraag: zijn de onderliggende redenen voor het populisme verdwenen?

Eerst even Macron. Geen populist, maar hoe normaal is het dat een relatieve nieuweling niet alleen president wordt, maar vervolgens meteen een absolute parlementaire meerderheid krijgt voor zijn partij, die een jaar geleden nog niet eens was opgericht? Dat is niet bepaald een teken van teruggekeerde politieke rust.

Niet alleen voor de burger, maar ook voor de ondernemer en belegger is het belangrijk te weten of de onderstroom werkelijk verdwenen is. De economie zit op dit moment mee: de werkloosheid daalt, de economische groei loopt op. Maar dat blijft niet zo. De verkiezingscyclus, die dit jaar samenvalt voor Frankrijk, Duitsland, Nederland (en misschien Italië) ontmoette ditmaal een economische cyclus die op zijn hoogtepunt is. Maar over een paar jaar zijn er in deze landen wederom verkiezingen en kan de fase van de economische cyclus er volledig anders uit zien. En dan?

De Turks-Amerikaanse Harvard-hoogleraar Dani Rodrik schreef vorige week een inzichtelijk stuk op Vox, de website van het Centre for Economic Policy Research. In Economics of the populist backlash maakt hij duidelijk dat de oorzaken niet verdwenen zijn.

De meeste westerse landen zijn het optimale punt al voorbij en hebben een financieel waterhoofd

Rodrik stelt dat belastingen verstorender zijn naarmate ze hoger worden. Dat betekent andersom dat het verlagen telkens minder voordeel oplevert. Wie een invoertarief beschouwt als een belasting, zal moeten constateren dat het voordeel van het verlagen van zulke tarieven afneemt, naarmate ze al laag waren. Het verwijderen van de laatste handelsbarrières, kenmerkend voor de recente fase van de globalisering, brengt de betrokken landen dus minder op. Tegelijkertijd blijven de nadelen, werkloosheid in getroffen sectoren en lagere lonen door buitenlandse concurrentie, goeddeels hetzelfde. Voorheen konden die maatschappelijke nadelen worden gecompenseerd met de maatschappelijke opbrengst van het het vrijmaken van de wereldhandel. Maar naarmate die opbrengst kleiner werd, is dat steeds moeilijker.

Hetzelfde gaat volgens Rodrik min of meer op voor financiële globalisering, die per saldo de inkomensongelijkheid heeft vergroot – al was het maar door de financiële crises die er het gevolg van waren. Het Internationaal Monetair Fonds maakte overigens vier jaar geleden al duidelijk dat de omvang van de financiële sector in landen een optimaal punt heeft. De meeste westerse landen zijn dat punt al voorbij, hebben een financieel waterhoofd en ondervinden daar steeds meer nadelen van.

Rodrik noemt een aantal factoren die eveneens meespelen, en deels het gevolg van globalisering zijn: de opkomst van de ‘winnaar-krijgt-alles’-markten, de uitholling van arbeidsvoorwaarden en normvervaging op het gebied van inkomensverschillen. Zijn al deze factoren uitgespeeld, nu in Europa de verkiezingen zijn meegevallen? Is het antwoord: nee, dan is de opstand tegen de ‘elite’ nog lang niet uitgewoekerd.

Maarten Schinkel schrijft over economie en de financiële markten.