Een burgercollectief begint vaak met zorgen om het milieu

De tijd is rijp voor collectief beheer van energie, landschap en groenvoorzieningen. In Utrecht bekijken 800 wetenschappers de resultaten en vooruitzichten.

Op het platteland zijn veel samenwerkingsinitiatieven van burgers, vaak op het gebied van milieu of natuurbehoud. Foto Cratinus van der Veen

Het Utrechtse Domplein is deze week een waar Babel. Europeanen, Aziaten, Afrikanen en (Latijns-)Amerikanen stromen naar het Academiegebouw en het Utrechts Centrum voor de Kunsten. Zij wonen een conferentie bij van de International Association for the Study of the Commons (IASC).

Dat gezelschap maakt studie van ‘instellingen voor collectieve actie’. Onder die academische term vallen initiatieven van plattelanders en stedelingen voor het beheer van bossen en waterbronnen, voor zorgverlening, duurzame energie of kleinschalige, milieuvriendelijke landbouw, alles gezamenlijk beheerd door de deelnemers, buiten markt en overheid om.

Zulke burgerinitiatieven beleven in het Westen een ware hausse. Begin dit jaar waren er in Nederland 1.800 collectieven actief; in 2015 nog 1.500. In die twee jaar zijn er zo’n tweehonderd opgedoekt, dus zijn er intussen 500 bij gekomen. Ruwweg een derde gaat voor duurzaamheid, bijvoorbeeld via groene energie, een derde houdt zich bezig met het opknappen en onderhouden van de wijk en weer een derde houdt zich met van alles bezig, waaronder zorg.

Eén van de sessies van de IASC-conferentie ging over de ‘veerkracht’ van al deze nieuwe collectieven. Welke houden het vol en hebben succes en welke sterven een vroege dood? Drie onderzoekers van de Erasmus Universiteit en de technische Universiteit Delft zochten naar ‘recepten voor succesvolle samenwerking’. Zij keken daarvoor naar twaalf collectieven, die vooral actief zijn in de zorg en in duurzame energie, verspreid over middelgrote steden in Nederland, zoals Amersfoort en Hengelo.

Noodzakelijke voorwaarden voor succes, luidde hun conclusie, zijn drie soorten ‘sociaal kapitaal’, dat wil zeggen: de band tussen de deelnemers moet hecht zijn; contacten met andere groepen in de gemeenschap zijn belangrijk; en er moet een goede relatie bestaan met ‘institutionele sleutelspelers’, zoals gemeente en woningbouwverenigingen. Maar dat is niet genoeg. Belangrijk zijn ook ‘sterk en ondernemend leiderschap’ en een heldere visie over waar het naartoe moet met het collectief. Juist die laatste twee factoren maken mensen enthousiast voor een initiatief. Van de zeven succesverhalen onder de onderzochte collectieven voldeden er vijf aan al deze voorwaarden.

Stem uit de praktijk

In dezelfde zitting klonk een stem uit de praktijk. Fred Sanders studeerde civiele techniek in Delft, was projectleider bij de Rijksgebouwendienst en was vervolgens jarenlang bestuurslid van een woningcoöperatie in de Zaanstreek. In zijn tijd renoveerden 250 bewoners van het Zaanse tuindorp de Vissershop hun buurt door hun huizen zelf te slopen en te herbouwen, zonder aannemer of projectontwikkelaar. Nu is hij adviseur van een zelfbouwcollectief op Texel.

In 2014 promoveerde Sanders aan de TU Delft op een onderzoek naar duurzame burgerinitiatieven in Nederlandse steden. Hij deelde in Utrecht een paar inzichten uit dat onderzoek. Voorbeelden ontleende hij vooral aan Rotterdam, de stad met de meeste burgerinitiatieven (begin dit jaar 61, tegen 15 in Amsterdam).

De eerste initiatieven waar mensen aan mee doen, vertelt hij, gaan over groen, dat zijn de projecten met een lage drempel. Bewoners van Heijplaat, ooit een dorp aan de Nieuwe Maas, intussen een Rotterdamse stadswijk ingeklemd tussen twee havens, wisten hun wijk in vijf jaar CO2-neutraal te maken. Door veel overleg, gezamenlijke aanschaf van zonnepanelen en verandering van het energieverbruik.

Een drijvende woning in het Rotterdamse Heijplaat. Foto Michiel1972 / Wikipedia

Slechts 2-3 procent van de burgers, aldus Sanders, is bereid een initiatief te nemen en zo’n 15 procent van hun buren is meteen bereid mee te doen. Initiatiefnemers komen uit alle geledingen van de samenleving en ze zijn overal actief: als trainer van een voetbalteam, in het schoolbestuur of in de gemeenteraad.

De meeste burgers, zegt Sanders, denken alleen aan vandaag en morgen, en aan de straat, hooguit de wijk. Beroepsbestuurders denken aan de toekomst en aan de stad of streek, maar lopen vaak vast in bureaucratische of budgettaire problemen. Er komt alleen iets tot stand als burgers met initiatief en bestuurders elkaar vinden.

De sociale kant

Sanders keek ook naar de motivatie van leden. Een deel kiest bewust voor een ‘groene’ levenswijze, anderen gaan vooral voor de sociale kant, zij willen graag mensen ontmoeten. Een deel bestaat uit vechters die graag tegenstand overwinnen, anderen willen vooral doelen bereiken. De meeste groene burgerinitiatieven in Rotterdam, stelde Sanders vast, bestaan uit mensen die anderen willen ontmoeten én doelen willen bereiken. Die mensen, zegt hij, zijn geen ‘Groenen’, maar willen iets doen voor de buurt.

Dit alles speelt zich af in steden. Deze week werd duidelijk in Utrecht dat er wereldwijd minstens zoveel plattelanders gezamenlijk opkomen voor behoud van bossen, voor schoon water en duurzame voedselvoorziening. Collectief ondernemen is niet iets uit een middeleeuws of pre-koloniaal verleden, het is helemaal van deze tijd.