Plasterks ‘tapwet’ is succesje na reeks mislukkingen

Politieke erfenis

Met ruimere bevoegdheden voor de inlichtingendiensten kan minister Plasterk zijn ambtstermijn afsluiten. Veel van zijn plannen strandden.

Plasterk in 2015 in de Eerste Kamer, die dinsdag instemde met zijn nieuwe wet op de inlichtingendiensten. Foto ANP / Jerry Lampen

De zichtbare opluchting bij Ronald Plasterk was dinsdagavond in meerdere opzichten veelzeggend. De demissionaire PvdA-minister van Binnenlandse Zaken loodste op de valreep van zijn ambtstermijn een nieuwe wet op de inlichtingendiensten door de Eerste Kamer. De ‘tapwet’ verruimt de bevoegdheden van de AIVD en MIVD aanzienlijk. Het is een oude wens van de geheime diensten in de strijd tegen terreur.

Maar er stond meer op het spel voor Plasterk. Onlangs nog sneuvelden twee belangrijke plannen, zoals er de afgelopen jaren veel in rook opgingen. Zo strandde afgelopen week de vernieuwing van het bevolkingsregister: een project van 100 miljoen euro waar hij in 2013 juist nog een forse financiële impuls aan gaf. Pijnlijk.

Al voor zijn aantreden als minister eind 2012 was duidelijk dat Plasterk een uitgekleed departement zou krijgen. De nationale politie viel onder Veiligheid en Justitie, integratie onder Sociale Zaken en het woonbeleid en de ambtenaren van de rijksdienst hadden hun eigen minister. Plasterk resteerden een paar grote, taaie dossiers, zoals bestuurlijke vernieuwing.

‘Lariekoek’

Op dat vlak mislukten al in de eerste twee jaar van zijn ambtstermijn vrijwel alle projecten. De gedwongen fusies tot grotere gemeenten van 100.000 inwoners gingen niet door, de ‘superprovincies’ kwamen er niet na verzet uit de provincies en het aantal waterschappen werd niet gehalveerd. Het idee dat Plasterk ‘het ministerie van lege dozen’ leidde, was geboren. „Lariekoek,” meende hij.

Zelf noemde Plasterk de decentralisatie van het openbaar bestuur in NRC „de grootste verandering” die op zijn terrein gaande was. Toch waren het in de praktijk vooral de staatssecretarissen Martin van Rijn (Volksgezondheid) en Jetta Klijnsma (Sociale Zaken), die de kar trokken.

Een cruciaal moment in Plasterks ministerschap was de NSA-affaire, eind 2013. Uit documenten van klokkenluider Edward Snowden bleek dat de Amerikaanse geheime dienst NSA 1,8 miljoen gegevens van Nederlandse telefoongesprekken had verzameld. Ondanks meerdere waarschuwingen er niet op in te gaan, kon Plasterk de verleiding niet weerstaan. Bij Nieuwsuur stelde hij dat de Amerikanen de gegevens zelf hebben verzameld, niet de Nederlandse diensten.

Zijn collega Jeanine Hennis (Defensie, VVD) was woedend dat Plasterk openlijk speculeerde over de herkomst van de data – en liet hem dat de volgende dag ook weten.

In februari 2014 moest Plasterk toegeven dat het wel de Nederlandse diensten waren die de gegevens verzamelden en dat hij daarvan al maanden op de hoogte was. Het was een grote politieke blunder. Plasterk overleefde een motie van wantrouwen van D66-leider Alexander Pechtold.

Dat de ooit gerenommeerde wetenschapper zijn loopbaan aan het Binnenhof dinsdagavond vermoedelijk besloot met een wet die voorziet in verruiming van de mogelijkheden van ‘zijn’ dienst om zelf gegevens te verzamelen, is in dat opzicht een soort van rehabilitatie. Al is het een beperkte. Zeker voor een man wiens entree op het Binnenhof in 2007 even verrassend als verwachtingsvol was.