Column

Ongeluk

In Betondorp was de PVV bij de Tweede Kamerverkiezingen de grootste partij. Een zwart vlekje op het kaartje van Amsterdam dat stadskrant Het Parool een paar dagen na de verkiezingen afdrukte. Middenin dat zwarte vlekje staat het huis dat we voor te veel geld huren. Kennissen uit de nabijgelegen Watergraafsmeer waar juist iedereen op D66 of GroenLinks stemde (en waar ze dankzij de stijgende huizenprijzen in ieder geval op papier allemaal miljonair zijn) informeerden wel eens met een bezorgd gezicht hoe dat nou woonde.

„Ik zou daar echt heel erg bekeerderig van worden”, zei een kennis, die duidelijk nog nooit in Café De Avonden was geweest, waar ze bewust of onbewust op alles politiek incorrect reageren. Je kunt daar van alles van vinden, maar ik moet lachen als een barkeeper opgelucht reageert als een van zijn vaste gasten niet naar het toilet maar naar de gokkast strompelt.

„Scheelt weer een dweil.”

Gisteren raakte ik er aan de praat met een man en een vrouw die aan de biefstuk met bier van kok Nico zaten. Ze woonden bij een jachthaventje buiten de ring, vlakbij het opvallende gebouw van de ‘dataopslag’ dat ze ‘de supercomputer’ noemden.

Zij: „Ik heb daar migraine van, wij worden categorisch bestraald.”

Hij: „Los daarvan: internet is gewoon kut.”

Zij: „Doen wij niet aan mee. Als ze willen kunnen ze je wissen, dan besta je niet meer. Dan ben je gewoon weg.”

Ik wilde de pret niet bederven, maar relativeerde het probleem toch.

„Fysiek besta je dan toch nog wel?”, zei ik.

„Ik weet niet wat je daarmee bedoelt. Geloof mij nou,” zei de vrouw, „het is levensgevaarlijk. Ze kunnen je gewoon weg maken.”

Hij: „Daarom lezen wij nog gewoon de krant.”

Zij: „De Telegraaf.”

Hij: „Dat is de enige krant die ze bij ons bezorgen.”

Zij: „Al die bezorgers van andere kranten vinden ons te ver fietsen.”

Hij: „Behalve met Kerst, dan komen ze wel allemaal met zo’n kaartje om geld te vangen.”

Zij: „En daarna komen hun broers.”

Hij: „Hun zussen niet, die mogen niet fietsen.”

Zaten we binnen een paar zinnen ineens weer bijna op de bekende doodlopende weg, maar gelukkig botsten er vlak naast ons twee auto’s op elkaar. Ze gingen er alle twee voor staan.

„Geluk bij een ongeluk”, zeiden ze achter de bar toen ik afrekende.