Nederlands langste kunstroute: 100 km wandelen langs de IJssel

Beeldende kunst

De IJsselbiënnale heeft kunstwerken van Doesburg tot Zwolle. De tentoonstelling vindt dit jaar voor het eerst plaats. Maar het scheelde niet veel of het ging allemaal niet door.

Het werk 'Hoog en droog' van Maze de Boer Foto Peter Cox

‘De langste tentoonstelling van Nederland’, noemen ze hem wel. Wil je hem zien, dan moet je er meer dan een dag voor uittrekken: de kunstwerken staan verspreid over een lengte van honderd kilometer. In totaal steek je dan acht keer met een pontje de rivier over. Bij de organisatie zijn veertien gemeenten, twee provincies en drie waterschappen betrokken. En o ja, het ging allemaal bijna niet door: te duur, te ingewikkeld.

De IJsselbiënnale, ‘een internationale kunstroute langs de IJssel’, bestaat uit 26 kunstwerken tussen Doesburg en Zwolle. Ze staan tot eind september in uiterwaarden, naast oude sluisjes en langs de waterkant: sculpturen van hout, glas, beton of staal, soms letterlijk in het water, in elk geval altijd verbonden met de geschiedenis of anders wel de toekomst van de rivier: het thema is klimaatverandering. Je kunt de werken fietsend bekijken, dan heb je een dag of drie, vier nodig. Wandelen kan ook, dat zijn acht etappes. Met de auto is eigenlijk niet de bedoeling: dan ervaar je het landschap bijna niet.

En precies om dat landschap is het te doen, merk je als je terechtkomt in een grote, lege vlakte waar een spiksplinternieuwe brug over land gaat in plaats van over water, de elektriciteitsmasten op stellages zijn gezet, alle boerderijen gesloopt en de bomen gekapt. In deze woestenij van acht bij een kilometer moet bij extreem hoog water het overtollige rivierwater worden opgevangen. De ‘Hoogwatergeul Veessen-Wapenveld’ werd op 23 februari geopend door verantwoordelijk minister Schulz van Haegen.

‘Noria’ van Robbert van der Horst refereert aan enorme, eeuwenoude waterraden in Syrië, het werk is een amfitheater en draagconstructie ineen.
Foto Peter Cox
‘Noria’ van Robbert van der Horst refereert aan enorme, eeuwenoude waterraden in Syrië, het werk is een amfitheater en draagconstructie ineen.
Foto Peter Cox

Neus in de wind

Vijf maanden later staat middenin dit verlaten land Hoog en Droog van Maze de Boer (1976): een zeilboot, hij heeft de neus in de wind en lijkt te balanceren op het gras. Zo onderstreept het schip de vervreemding van het kale landschap, dat volgens de prognoses waarop de ingreep is gebaseerd eens in de tachtig jaar onder water zal komen te staan.

De locaties van de kunstwerken.

Of neem Moderne Devotie van het kunstenaarscollectief Observatorium. Een rechthoek van hoge, betonnen keerwanden met bankjes aan de binnenkant is het, je zit er besloten als in een kloostertuin. Alleen staan die wanden en bankjes op een verhoging: mochten de uiterwaarden onderlopen, dan stroomt het water zo de kloostertuin in. Je kunt er stilletjes nadenken over de noodzaak van dit soort maatregelen.

Hoe is deze tentoonstelling tot stand gekomen? En waarom is hij er nu en niet eerder, zoals de bedoeling was?

„Het begon”, zegt initiatiefnemer Mieke Conijn van de IJsselbiënnale, „zes jaar geleden met twee kleine tentoonstellingen, die we hadden opgezet langs de rivier.” De tentoonstellingen vonden plaats aan de vooravond van ingrepen in het landschap wegens de klimaatverandering: uiterwaarden zouden worden verbreed en verdiept, watergeulen aangelegd, dijken verplaatst. „Dat het samenviel was toeval, maar bracht ons wel op het idee van de hele rivier als thema voor een tentoonstelling.”

Mieke Conijn is directeur van Kunstenlab, een organisatie die maatschappelijk betrokken kunstprojecten organiseert, op eigen initiatief of voor een gemeente of provincie. Maar nooit eerder voor veertien gemeenten, twee provincies en drie waterschappen tegelijk. „En die moesten niet alleen allemaal mee willen doen, ze moesten ook bereid zijn daar geld voor uit te trekken.”

We bleken een stuk of vijftig vergunningen nodig te hebben

Wat ook complex was: het benaderen van de landeigenaren. „Soms waren dat overheden, dan weer natuurorganisaties of particulieren.” En: „Het is hier allemaal natuurgebied. We bleken een stuk of vijftig vergunningen nodig te hebben.” De organisatie was al met al zo ingewikkeld dat de tentoonstelling er twee jaar later kwam dan oorspronkelijk voorzien.

Een speciale reisgids

De veelomvattendheid is af te zien aan de speciale reisgids: meer dan honderd pagina’s met kaartjes, routes en uitleg over het landschap en de kunstwerken. Die staan gemiddeld op vier kilometer van elkaar, de langste onderlinge afstand bedraagt zeven kilometer. Mieke Conijn: „We hebben overlegd met wandelverenigingen en fietsclubs. Daar kwam uit dat een meerdaagse route oké is: als je wilt, kom je later terug voor een andere etappe.” Er kwam ook uit dat fietsers niet om de twee kilometer willen afstappen om een kunstwerk te bekijken. „Dat was fijn voor ons, want dat was het oorspronkelijke plan waarvoor we pakweg veertig kunstwerken nodig hadden – en dat was te duur, wisten we al.”

Veel gemeenten vroegen of kunstenaars die in hun stad woonden, konden meedoen aan de tentoonstelling. „Het was een dilemma: de tentoonstelling moest wel een internationale uitstraling hebben – dat was de ambitie. En alleen dan zouden ook de landelijke kunstfondsen een bijdrage willen leveren.” De uitkomst: een parallel programma met vele tientallen lokale initiatieven: concerten, lezingen, exposities, voorstellingen.

Voor de tentoonstelling kun je een kaartje kopen, dan krijg je de precieze routebeschrijving. Maar alle kunstwerken staan ook vrij toegankelijk in de natuur. Hoe meten ze de belangstelling? En hoe weten ze of mensen waarderen wat ze zien? „Dat gaan we ze vragen, letterlijk. En verder schatten we dat één op de zes à acht fietsers en wandelaars een kaartje koopt. De rest niet, die zien de werken toevallig. En dat mag ook, dat is alleen maar mooi.”

Met medewerking van Thomas van Huut.