Stammenstrijd verdeelt Spaanse bankenreus na fusie

Twee bloedgroepen strijden onophoudelijk na de fusie, in januari 1999, van Banco Santander en Banco Central Hispano. Spaanse topmannen rollen vechtend over straat.

Nee. De Banco de España, Spanjes centrale bank, grijpt niet in. Vice-premier Rodrigo Rato meent dat de heren bankiers het zelf maar moeten uitzoeken. En dus wordt de strijd binnen de top van Spanjes grootste gefuseerde bank, Banco Santander Central Hispano (BSCH) voortgezet met de kracht van een Shakespeariaans koningsdrama.

Een strijd op leven en dood tussen de roden (naar de embleemkleur van Banco Santander) en de blauwen (de kleur van Banco Central Hispano), of beter gezegd tussen Emilio Botín (Banco Santander) en José María Amusátegui (Banco Central Hispano).

Toen de bankreus van Spanje in januari 1999 uit een fusie ontstond leken de posities van de twee oude bankrotten pijnlijk nauwkeurig uitonderhandeld. Amusátegui, topman van het relatief kleinere Banco Central Hispano, mocht samen met Botín bestuursvoorzitter worden van de nieuwe combinatie. Tot maart 2002, want dan vierde Amusátegui zijn zeventigste verjaardag en was het tijd om op te stappen.

In nog geen drie jaar zijn de verhoudingen tussen beide fusiepartners evenwel dusdanig bekoeld dat Botín een vertrouwensman naar Amusátegui stuurde met de boodschap dat hij maar beter nu al kan vertrekken. Achter zijn rug had Botín toen al het gerucht laten verspreiden dat zijn co-president dik tevreden was met een flinke zak geld in ruil voor zijn voortijdig pensioen.

De Machiavelliaanse opzet mislukte. In plaats van ontmoedigd te raken van zoveel slechtigheid werd Amusátegui zó kwaad dat hij Botíns boodschapper niet eens wilde ontvangen. Heel Spanje was er de afgelopen weken getuige van dat Amusátegui de pers, de regering en de centrale bank inschakelde in zijn strijd om Botín maximale schade toe te brengen.

Het gevolg is evenwel dat Spanjes grootste bank niet aan integreren toekomt en wordt meegesleurd in een stammenstrijd. Kantoren, managers en topbankiers: dwars door BSCH is er sprake van een scheuring in de twee kampen van de fusiepartners.

Emilio Botín geldt als misschien wel de machtigste en in ieder geval de rijkste man van Spanje. Hij is de derde generatie die met een verdeel- en heerspolitiek de familiebank Banco Santander regeerde. Officieel heeft de familie Botín vier procent van BSCH in handen (tegen 0,232 procent voor Amusátegui), maar financieel Madrid gaat er van uit dat dit percentage wel eens aanzienlijk hoger zou kunnen liggen.

Troonopvolgster in de dynastie is Botíns dochter Ana Patricia. Maar zij presenteerde zich wat al te uitbundig als de coming woman in een uitgebreide fotoreportage in de kleurenbijlage van het Spaanse dagblad El País. Dat wekte de woede van Ángel Corcóstegui, die de bankcombinatie in de toekomst wordt verondersteld te gaan leiden. Deze eiste dat Amusátegui optrad, met succes, want Ana Patricia werd uit haar functies gezet en verbannen als commissaris van de bank.

Sindsdien volgden de complotten elkaar in rap tempo op. Corcóstegui werd ervan beschuldigd voor veel te veel geld een internetbank voor BSCH te hebben gekocht. Als wraak werd gelekt dat Francisco Luzón, topvazal uit het Botín-kamp, voor een belachelijk hoog bedrag de Braziliaanse bank Banco do Estado de São Paulo had gekocht.

Inmiddels wordt openlijk gesproken van een crisis. Het wachten is op de winnaar uit de strijd. Madrid gokt op Botín, die gehaaider is dan Amusátegui en bovendien een aanzienlijk grotere aandeelhouder. Dochter Ana Patricia wacht geduldig in de coulissen. Maar onderhuids knaagt de vraag of anno 2001 een van de grootste banken in de euromarkt zich nog wel kan laten bestieren als een feodaal familiebezit.