Advies aan UvA: verbeter onderzoek antropologen

Onderzoek naar IS-gangers Een onderzoek aan de UvA onder anonieme vrouwelijke jihadgangers leidde tot veel ophef. Een commissie onderzocht wat er beter kan.

Foto Koen van Weel / ANP

De Universiteit van Amsterdam (UvA) moet richtlijnen opstellen om antropologisch onderzoek transparanter te maken. Dat stelt een externe commissie die een studie over vrouwelijke IS-gangers onderzocht. Volgens de commissie moeten antropologen meer gaan overleggen met collega’s over de omgang met ethische kwesties.

De commissie werd ingesteld naar aanleiding van een publicatie in NRC in januari over een omstreden onderzoek naar vrouwen van terreurorganisatie IS. Een van de drie auteurs van de studie, een bekeerde moslima, zou met de jihad sympathiseren. Het onderzoek was gebaseerd op chatgesprekken die zij voerde met vrouwelijke jihadgangers van wie de identiteit onbekend was. Het artikel leidde tot Kamervragen en discussie over de onafhankelijkheid van wetenschap.

De UvA liet de studie onderzoeken door twee externe hoogleraren op het gebied van ethiek, Mirjam de Bruijn en Guy Widdershoven. De opdracht aan de commissie was niet om te achterhalen of de onderzoeker sympathiseert met de jihad, maar of haar achtergrond relevant is voor de studie. De commissie stelt nu dat „de persoonlijke achtergrond van de onderzoeker invloed kan hebben op de dataverzameling en de onderzoeksresultaten”. Wetenschappers moeten reflecteren op hun betrokkenheid bij de onderzoeksgroep, adviseert de commissie. Hoe dat in dit geval is gebeurd, is niet onderbouwd in de gewraakte studie.

Daarnaast heeft de commissie kritiek op de „onduidelijkheid rond archivering en controleerbaarheid” van het onderzoek. De namen van de respondenten waren niet vastgelegd. Een deel van de chatgesprekken is vernietigd. Hierdoor blijft onduidelijk hoe de onderzoekers konden weten of de vrouwen met wie zij aan het chatten werkelijk zijn wie ze zeiden te zijn. „Koren op de molen van maatschappelijke partijen die de wetenschap in het algemeen, en de sociale wetenschap in het bijzonder, bestempelen tot een geheel van vooringenomen meningen”, aldus de commissie. „Gepaste vormen van transparantie en openheid zijn geboden.”

De commissie adviseert de UvA om hiervoor richtlijnen te ontwikkelen. „Wetenschappers kunnen – bewust of onbewust – fouten maken. Ook de antropologie moet een controlemechanisme inbouwen.”

Mediacommotie

De twee andere auteurs van de IS-studie, antropoloog Martijn de Koning en hoogleraar hedendaagse moslimsamenlevingen Annelies Moors, reageren verontwaardigd. „Het baart ons zorgen dat De Bruijn en Widdershoven de mediacommotie rondom ons onderzoek zo bedreigend vinden dat ze pleiten voor ‘meer toezicht’ en een inperking van de ‘handelingsvrijheid’ van wetenschappers”. De twee noemen hun medewerking aan de commissie „verspilling van tijd en energie”.

Brian Burgoon, hoofd van de sociale faculteit van de UvA, noemt het „heel jammer” dat de onderzoekers het rapport als tijdsverspilling zien. Hij kondigt een brede discussie binnen de UvA aan over de aanbevelingen.