Column

Nederland bakt Wiedergutmachungsschnitzel voor Srebrenica

Zap

Kay Mastenbroek maakte een documentaire over de moeizame totstandkoming van het Srebrenicamuseum. Grootste probleem voor het museum: nabestaanden én Dutchbatveteranen moesten tevreden worden gesteld.

De strijd om het Srebrenicamuseum (2DOC / KRO-NCRV)

Tijdens het kijken naar De strijd om het Srebrenicamuseum moest ik denken aan de ‘Wiedergutmachungsschnitzel’ van Jiskefet. In dat satirische programma komen twee Duitse soldaten een schnitzel bakken voor het Nederlands publiek, als verzoeningsgebaar. Vooral eigenlijk omdat er altijd zo vervelend op hen wordt gereageerd door Nederlandse voorbijgangers, als ze bijvoorbeeld in hun WO II-uniform staan te schreeuwen bij de groenteboer.

Zo’n Wiedergutmachungsschnitzel ging de Nederlandse regering bakken in Bosnië: het Srebrenicamuseum. In 1995 hebben Servische soldaten daar ruim achtduizend moslims vermoord. Het Nederlandse Dutchbat-bataljon is door de rechter mede verantwoordelijk gesteld voor de dood van ruim driehonderd mannen en jongens, die door Dutchbat aan de Serviërs zijn uitgeleverd.

Uit schuldgevoel heeft de regering zeshonderd miljoen euro aan „heimelijke Wiedergutmachung” betaald aan Bosnië-Herzegovina. Nu wilde de regering ook nog een museum schenken, gevestigd in het oude Dutchbathoofdkwartier. Regisseur Kay Mastenbroek volgt in zijn documentaire de moeizame totstandkoming van het museum. Want de goedbedoelende Nederlanders lopen wederom een mijnenveld in. Onderliggende thema is de oorlogsverwerking.

Hoofdpersoon is historica Monique Brinks, die namens Kamp Westerbork de tentoonstelling moet inrichten. Ze komt onverstoorbaar over, maar je ziet ook wel verbijstering en frustratie op haar gezicht. Ze wil een museum waarin alle kanten van het verhaal aan bod komen. Een sterke bijrol is er voor Dutchbat-tolk Hasan Nuhanović. Zijn ouders en broer zijn vermoord nadat ze door Dutchbat aan de Serviërs zijn uitgeleverd. Hier treedt hij op als oliemannetje: hij bemiddelt tussen de Nederlanders en de nabestaanden.

Grootste probleem is dat de nabestaanden én de Dutchbatveteranen tevreden moeten worden gesteld. De Dutchbatters voelen zich slecht behandeld en vals beschuldigd. Maar de moeders en vrouwen van de slachtoffers zien de Dutchbatters als mededaders. Er mag in dit museum geen vergoelijkend woord over hen komen.

Eerste hobbel is dat de Bosniërs graffiti van Dutchbat in het gebouw willen laten staan; de aannemer heeft er netjes omheen gestuct. Dat zijn blote vrouwen, fallussen en Batman, maar ook beledigende grappen over de bevolking. Want – en dat is een van de pijnpunten – sommige Dutchbatters keken neer op de bewoners die ze zouden beschermen. „Hier is een grens overschreden”, zegt de Nederlandse delegatie op hoge toon, wat nogal potsierlijk overkomt, in deze context.

Ze heeft het recht niet

Hoogtepunt is als de Bosnische vrouwen en moeders een proefopstelling bezoeken. Onheus, onaangenaam, maar volkomen begrijpelijk kraken ze alles af en eisen dat er teksten verwijderd worden. Er moet op de muur komen te staan dat „de Nederlandse soldaten hebben verkracht en gemoord”, wat ook weer niet waar is. Over Monique Brinks zeggen de vrouwen: „Ze heeft het recht niet om over onze mensen te schrijven.” Hasan Nuhanović moet de aanvallen pareren. Na afloop laat hij de „drammerige Hollanders” mooi vallen. Er mag maar één verhaal verteld worden: dat van de slachtoffers.

De Nederlanders bakken hier een Wiedergutmachungsschnitzel voor een massamoord waar ze eigenlijk slechts zijdelings bij betrokken waren. Ja, Nederland is voor de tweede keer gezakt voor de verzet-tegen-genocide-test, maar die massamoord werd toch echt door de Serviërs gepleegd. Je vraagt je überhaupt af wat we daar te zoeken hebben, en hadden.

Naast de achtduizend vermoorde mensen is het zo misplaatst allemaal: het gezeur van Dutchbatters over geld en „nationaal eerherstel”, het Nederlandse schuldgevoel, en het gemier over de objectiviteit van zo’n museum. Dat is er overigens wel gekomen dit jaar. En het is een succes.