Column

Onder het bed

Ellen

‘Wat. Is. Dit.” zegt mijn geliefde, terwijl hij een boxershortje voor zich uit houdt. Zijn mobiel was even daarvoor onder mijn bed beland en opeens had hij een bestoft broekje, met een confronterend bobbeltje in de kruiszone, in de handen.

„Een onderbroek van mijn ex”, zeg ik, en heb meteen spijt van elk zelfstandig naamwoord in die zin. Ik bied mijn excuses aan, die de geliefde mokkend accepteert. Hij weet dat ik rommelig ben en dat het al een wonder is als ik de publieke delen van mijn woning op orde heb. Hij kent me inmiddels goed genoeg om te geloven dat ik sinds mijn ex eindelijk vertrok (inmiddels een jaar geleden) de ruimte onder mijn bed niet heb opgeruimd, laat staan gestofzuigd.

Als de geliefde weg is pak ik een aantal spatels en begin dingen onder het bed vandaan te schrapen. Ik ben verbluft hoeveel spullen van de ex daarbij zitten: zakdoeken, sokken, gympen(!). Een volledige garderobe overwoekerd door stof, haren en genoeg andere allergenen om astmatici gevarieerd te martelen haal ik binnen een kwartier onder het lattenskelet vandaan.

Toen ik op de middelbare zat zeiden mijn klasgenoten dat je ter voorbereiding op een proefwerk met het boek onder je hoofdkussen moest slapen, dan zou in de nacht alle kennis langzaam je brein intrekken. Geen wonder, denk ik nu ik de zoveelste sportsok onder het bed vandaan trek, dat het zo lang duurde om de ex los te laten, als ik meer dan een jaar boven zijn halve kledingkast heb geslapen.

Na de boel een beetje te hebben gestofzuigd kom ik bij op de bank. Ik denk aan mijn geweldige huidige geliefde, die zoals het hoort in ieder opzicht grootser is dan de vorige, en opeens herinner ik me een gedicht: ‘Grootsteeds’, van Menno Wigman, uit Zwart als Kaviaar. In het vers is iemand heel blij met zijn nieuwe vriendin, maar naarmate de relatie vordert kan hij de gedachte niet loslaten dat er voor hem allerlei anderen waren, met wie ze ook plezier maakte en sliep. De vriendin weet weer niet dat haar glimlach de dichter doet denken aan die van een vorige minnares. Zo blijven voormalige geliefden aanwezig in iedere nieuwe relatie. ’s Nachts, zo schrijft Wigman, staat er rond het bed een kring van schimmen van exen te kijken „hoe traag, hoe teder en verbeten wij/ hun diepste namen uit ons hoofd verdrijven.”

Die avond kijk ik nog even onder mijn bed. Er ligt niets meer. „Opgeruimd staat netjes”, zeg ik en het galmt haast, zo kaal is de ruimte nu. En dat is maar beter ook. Geen pijnlijke situaties meer. Nieuwe liefde groeit het best op leegte.