Column

Een lichtjesdans boven het grasveld

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: het al te korte seizoen van de vuurvliegjes.
Illustrtie Eliane Gerrits

Eindelijk zomert het in Princeton. Het duurde tot laat in de lente voor het warm werd, maar nu bloeien de rozen uitbundig en ruikt het naar kamperfoelie. Iedereen is met vakantie, het stadje wordt steeds leger. Opnieuw wordt een schooljaar afgesloten, met alle bijpassende emoties. Mijn dochter zwaait haar klasgenoten uit, die zich over de wereld gaan verspreiden. Ze miste het afgelopen jaar haar uitgevlogen broers. „Ik dacht dat we als gezin altijd bij elkaar zouden blijven”, zegt ze, alleen aan de keukentafel. Ze moet het nu met ons doen, haar ouders, die haar iets te veel aandacht geven.

Maar gelukkig komen vandaag twee vriendinnetjes uit Nederland op bezoek. De avond vult zich met barbecuen, volleyballen en achter de hond aan rennen. Moegespeeld met rode wangen liggen ze in de hangmat. Op hun zomerjurken zitten nog de gekleurde spikkels waarmee ze hun ijsjes versierden.

Het begint te schemeren en de maan kleurt lichtgeel aan de hemel. We roosteren marshmallows in de vuurkorf. De meisjes smullen van hun s’mores – gesmolten schuimpjes tussen chocola en crackers. De jetlag begint parten te spelen. Ze fluisteren alleen nog maar. Ogen vallen bijna dicht.

Plotseling springt een van de meisjes op. Haar lange blonde haar danst achter haar aan. „Vuurvliegjes!” Ze rent hen achterna tot ze er een vangt. „Kijk”, zegt ze. Het diertje licht fel op in het kooitje dat ze van haar handen heeft gevouwen. „Ahh”, zeggen we in koor. Allemaal gaan we achter de vliegende lampjes aan, die we in jampotten proberen te vangen. Het grasveld is inmiddels veranderd in een magisch twinkelend tapijt. De vliegjes spelen verstoppertje met ons. Ze lichten telkens even op en verdwijnen dan. Pak me dan, als je kan.

„Ze schrijven jouw achternaam”, zegt het andere meisje, dat met haar rossige krullen zo uit een prerafaëlitisch schilderij lijkt weggelopen. „Allemaal J’s.”

„Niet allemaal”, zegt het blonde meisje. „Die daar licht steeds op met korte flitsen. Ze schrijven allemaal iets anders. Misschien hebben ze wel een boodschap voor ons.”

„Ze hebben hun eigen taal”, zegt onze dochter. „Ze praten met licht. Wat zouden ze elkaar eigenlijk vertellen?”

„De jongens proberen met hun lichtjes de aandacht van de meisjes te trekken”, weet het blonde meisje dat met haar neus tegen het glas aandachtig haar vliegjes bestudeert. „En de meisjes laten hun lichtjes schijnen voor de leukste jongens.”

De meisjes hebben geluk. De vuurvliegjes zijn er maar kort en alleen rond deze tijd van het jaar. Ze leven net lang genoeg om een partner te vinden en hun eieren te leggen. Over drie weken is de lichtjesdans alweer voorbij.

Later die avond, als het buiten donker is en de jonge gasten vertrokken zijn, is het gras uitgedoofd. Ik denk aan de meisjes, rennend over het gras op blote voetjes onder hun zomerjurken, ongrijpbaar oplichtend – de echte vuurvliegjes.

Ik loop de kamer van mijn dochter binnen. Ze is in diepe slaap. Naast haar ligt haar jampot met de deksel eraf. Als ik de schemerlamp uit doe en nog even naar haar contouren kijk, licht een vuurvliegje tegen het behang op.

Reacties naar pdejong@ias.edu