De verkoop van het laatste gemeentelijke kroonjuweel

Eneco

Alles wijst erop dat Eneco in de verkoop gaat. Waarom willen gemeenten van het energiebedrijf af? En is de timing deze keer wél goed?

In Amstelveen wordt in opdracht van energiebedrijf Eneco een warmtecentrale gebouwd met hout uit duurzaam beheerde bossen. Foto Peter Brom/Dijkstra bv

‘Toegevoegde waarde’ is het evangelie van de manager, voor aandeelhouders is vooral timing cruciaal. Dat weten niet alleen private-equitypartijen en hedgefondsen. Ook bestuurders van gemeenten en provincies die grote nutsbedrijven hebben verkocht, kunnen erover meepraten. Soms was het moment van verkoop zo goed gekozen dat het achteraf bijna gênant werd (energiebedrijven Essent, Nuon), in andere gevallen vroegen lokale overheden zich later vertwijfeld af waarom ze hun bezit in hemelsnaam op het dieptepunt van de markt voor een prikkie van de hand hadden gedaan (afvalbedrijf Attero).

Vraag is nu: hoe zit het met Eneco, het derde energieconcern van Nederland (omzet 2,6 miljard euro, 3.500 werknemers) en het laatste grote nutsbedrijf waarmee een grote groep Nederlandse gemeenten een flinke klapper kan maken? Dát het energiebedrijf op korte termijn in de verkoop gaat, is heel waarschijnlijk. Afgelopen vrijdag maakte de gemeente Den Haag bekend dat ze haar belang van 16,55 procent in Eneco wil verkopen, nadat eerder Rotterdam (31,69 procent van de aandelen) al had aangekondigd dat het van zijn stukken af wil.

De overige 51, veel kleinere, gemeentelijke aandeelhouders moeten vóór 31 oktober 2017 een besluit nemen over hun belang. Ze kunnen er individueel natuurlijk voor kiezen hun aandelen te houden, maar dat ligt niet erg voor de hand. Als een meerderheid wil verkopen, blijven ze namelijk achter met belang zonder zeggenschap, in een bedrijf waarin bovendien een private partij de dienst uitmaakt – een risico dat de gemeente Den Haag expliciet noemt in de motivatie van haar keuze voor een verkoop. „Borging van publieke belangen zal dan lastig zijn,” aldus het Haagse college in zijn brief aan de gemeenteraad.

Splitsing

Waarom willen Rotterdam en Den Haag juist nú van hun aandelen af? Vooropgesteld: gemeenten kunnen een smak geld natuurlijk altijd goed gebruiken. Maar de timing hangt op dit moment vooral samen met veranderingen op de energiemarkt en met de splitsing die Eneco begin dit jaar noodgedwongen heeft doorgevoerd.

Al in 2006 besloot de Nederlandse regering dat energiebedrijven, destijds allemaal in handen van lagere overheden, stroomopwekking en -levering moesten scheiden van netbeheer. Zo kon de infrastructuur beschermd blijven tegen de grillige werkelijkheid van schommelende elektriciteitsprijzen, toenemende Europese concurrentie en de opkomst van groene energie. Bovendien geldt voor stroomnetten een duidelijk publiek belang vanwege de noodzaak aan voldoende investeringen. Bij de verkoop en productie ligt dat anders. Ook commerciële aanbieders kunnen die investeringen doen.

Essent en Nuon gaven vlot gehoor aan de oproep van het kabinet, splitsten de netten af en werden in 2009 verkocht. Maar Eneco en het Zeeuwse energiebedrijf Delta weigerden. Zij wezen op EU-recht en naar andere Europese landen, die wél geïntegreerde energiebedrijven accepteerden, stapten naar de rechter en begonnen een jarenlange juridische strijd tegen de splitsingswet. Tevergeefs, zo bleek in 2015.

En dus is Eneco begin dit jaar alsnog gesplitst, waarmee voor de aandeelhouders de vraag op tafel kwam wat ze met hun stukken willen.

Hoofdprijs

Met enige jaloezie kunnen ze kijken naar de gemeenten die aandeelhouder waren van de ‘gehoorzame’ energiebedrijven Nuon en Essent. Díé hebben de hoofdprijs gekregen: iets minder dan 10 miljard euro. Kopers RWE (Duits) en Vattenfall (Zweeds) betaalden daarmee meer dan tien keer het bedrijfsresultaat voor de energiebedrijven. Hetzelfde sommetje zou voor Eneco een overnamebedrag geven van ten minste 4 miljard. Dat is echter nu niet realistisch, omdat elektriciteitsprijzen tegenwoordig aanzienlijk lager liggen. De aandeelhouderscommissie (AHC) van Eneco schat dat het bedrijf op dit moment tussen de 2,5 en 2,9 miljard euro waard is, ofwel zo’n zeven keer het bedrijfsresultaat. Dat is vergelijkbaar met de waardering van branchegenoten Dong en Innogy.

Beter even wachten dan misschien? Ook dat is een risico. Gemeenten hebben gezien wat er is gebeurd met grote broers Essent en Nuon nadat ze waren verkocht. Kelderende stroomprijzen dwongen RWE en Vattenfall om miljarden af te schrijven op hun Nederlandse dochters. De Europese energiemarkt is onvoorspelbaar, kortom. En gemeenten zijn nu eenmaal geen beleggers. Dus waarom zo’n risico nemen als het niet gaat om een publieke taak?

Eneco zelf hamert wél op zijn publieke belang, zo valt te lezen in een brief die de onderneming vorige maand stuurde aan zijn aandeelhouders en die duidelijk maakt dat de bedrijfstop bezorgd is over de verkoopplannen van de gemeenten. De onderneming speelt een cruciale rol in de verduurzaming van de Nederlandse energiesector, zo voert ze aan, en dat betekent dat het aandeelhouderschap „ertoe doet” voor Nederland. Er zal bij een verkoop dus naar meer gekeken moeten worden dan alleen de hoogte van het bod.

Het klopt dat Eneco geldt als de groenste van de drie grote Nederlandse energiebedrijven. Dat maakt het bedrijf ook aantrekkelijk, bijvoorbeeld voor branchegenoten die willen vergroenen of mogelijk zelfs voor een partij als Shell. Dat investeert met Eneco in windpark Borssele en zou met een overname in één klap toegang krijgen tot ruim twee miljoen klanten.