Recht & Onrecht

Als je het ouderen vraagt is het verzorgingshuis zó weer terug

Groepsdenken bij beleidsmakers heeft het verzorgingshuis de nek omgedraaid, schrijft Bert Pol in de Gedragscolumn.

foto ANP / evert-Jan Daniëls

Ooit was er in ons land het verzorgingshuis. Voor jonge lezers: daar woonden mensen van gemiddeld 85 jaar. Helemaal zelfstandig wonen zat er voor de meeste bewoners niet meer in: ze hadden lichamelijk en/of geestelijk veel ondersteuning nodig. Ze waren niet dement, maar vaak wel dusdanig vergeetachtig dat een oogje in het zeil gehouden moest worden.

Inmiddels is het fenomeen verzorgingshuis hier van de aardbodem verdwenen. Wat rest is een diep gat. Ik zie de gevolgen van nabij. Ouderen die na een operatie moeten revalideren, kunnen terecht in een gespecialiseerde revalidatiekliniek. Een operatie op hoge leeftijd heeft namelijk niet zelden verwardheid als onaangenaam bijverschijnsel: niet weten waar je bent, dingen zien die er niet zijn, herinneringen aan iets wat niet gebeurd is. Vaak gaat dat geleidelijk weer over, maar niet altijd, of niet altijd helemaal. Als zo iemand dan wel lichamelijk maar niet geestelijk hersteld is, is er een probleem. Er is dan maar één permanente oplossing: naar een psychogeriatrisch verpleeghuis. Dat betekent opname in een gesloten afdeling.

Absurd

Wanneer iemand niet meer helemaal scherp meer is en ondersteuning gewenst is, is dat absurd. Je mag dan wel vergeten zijn welke dag en welke maand het is en moeite hebben met de afstandsbediening en mobiele telefoons, maar verder is er niet veel aan de hand. Er is geen enkele reden om je in huis te laten wonen bij mensen in een gevorderd stadium van dementie, die alleen nog uit raam staren of met een pop in hun armen zitten.

Maar iets anders is er niet. Alleen een tijdelijk verblijf in een kamer elders. Maar als je niet in je eigen omgeving bent, verergeren de klachten van vergeetachtigheid. Het gaat dan vak rap bergafwaarts.

Ernstige bijziendheid

Hoe is het toch mogelijk dat besloten werd de voorziening verzorgingshuis op te doeken? Wie hebben dat besluit genomen? En vooral: op grond waarvan? Het lijkt een typisch geval van group think, een groepsproces waarin het collectieve blikveld zich steeds meer vernauwt. Dat is een ernstige vorm van bijziendheid. Er is geen ruimte meer voor alternatieve zienswijzen, omdat beslissers en hun adviseurs in extreme mate op één lijn zitten en maar één ding willen. Wie kritisch is, gaat af door de zijdeur.

Ooit was ik betrokken bij een onderzoek naar woningen voor ouderen, waarbij we verschillende varianten vergeleken: wonen onder het dak van een grotere zorgorganisatie, wonen in de zeer nabije omgeving daarvan of wonen in gewone woonwijken.  De voorkeur van beleidsbeslissers was duidelijk: men ging ervan uit dat ouderen ‘in de wijk’ wilden wonen. Dan bleven ze immers deel uitmaken van de maatschappij. Want ‘wie wil er nu in zo’n bejaardengetto wonen, waar iedere dag de lijkwagen komt voorrijden?’ Dat was natuurlijk een retorische vraag. We deden onderzoek onder zelfstandig wonenden van zeventig à vijfenzeventig jaar die in hun nabije omgeving personen kenden die niet meer zelfstandig woonden.

Slechte bedoelingen

We letten ook op de waarden die de respondenten verbonden aan wonen. Daarbij scoorden veiligheid, gezelschap en gezelligheid hoog. Gezelschap betekende vergelijkbare mensen in vergelijkbare omstandigheden in de directe omgeving. Mensen met vergelijkbare gespreksonderwerpen. Gezelligheid betekende voldoende mogelijkheden tot ontspanning met bijvoorbeeld een winkel, een kapper en een horecagelegenheid in de directe omgeving. Veiligheid betekende snelle medische hulp als je die nodig hebt. En fysieke veiligheid: in een woonwijk ben je als oudere kwetsbaar. Wat kun je als iemand met slechte bedoelingen aan de deur komt?

Uiteindelijk koos slechts 10% voor wonen in de wijk, tussen mensen van alle leeftijden.

Maar liefst 90 % gaf de voorkeur aan wonen in de directe omgeving van een grote zorginstelling of onder het dak van zo’n organisatie.

Wat ze zelf willen

Wat de beleidsbeslissers over het hoofd zagen, is de kloof tussen hun eigen situatie en die van de meeste ouderen. Ze dachten te weten wat de doelgroep wil en wat niet. Daarbij baseerden ze zich op wat ze zelf zouden willen: zelfstandig wonen in de wijk en niet in een bejaardengetto. Met een verwijzing naar hun eigen vader, moeder of oude tante: ‘die wil dat ook niet’. Maar wat ze zich niet realiseerden, is dat zij zelf in staat waren om op hoge leeftijd in een prettige buurt te blijven wonen. Ze hebben het financieel goed. En hun ouders meestal ook. Daarbij verliezen ze een heel grote groep uit het oog die niet  beschikt over die financiële mogelijkheden. En die niet wil blijven wonen in een wijk die helemaal niet zo gezellig is voor ouderen.

Kortom: ga eerst langs de opticien voor je belangrijke beslissingen over ouderen neemt. Het zijn niet alleen ouderen die bijziend zijn.

 

Bert Pol is verbonden aan de afdeling Communicatiewetenschap van de Universiteit Twente en vennoot van Tabula Rasa Den Haag. De gedragscolumn wordt geschreven door sociale wetenschappers.