Column

Wonderen

Als kind kwam ik nog wel eens in een katholieke kerk. Niet voor de lol, maar aan de hand van mijn vader die ons daar, tot hij daar de kracht niet meer voor had, naar toe sleepte. Pas op zijn sterfbed ontdekte ik wat die man uit zijn geloof haalde: hij geloofde in wonderen. Hij wilde geen morfine, maar bad voor een nog niet bestaand medicijn tegen kanker. Op de allerlaatste dag verscheen er een pastor die ons in een halve cirkel rond zijn bed zette en A4’tjes met gebeden uitdeelde.

Als ik dan weer eens in een katholieke kerk ben, denk ik aan hem en dan zijn er ook momenten dat ik de schoonheid van al die rituelen zie.

Vorige week kwam ik er tijdens de koffie met broodjes na afloop van weer een begrafenis achter dat ik mijn huissleutels waarschijnlijk in de Oldulphuskerk in het dorp Best had laten liggen.

Ik terug.

In de deuropening stonden nog ‘een vrijwilliger’ en drie vrouwen van het zangkoor, die zich er allemaal tegenaan begonnen te bemoeien. Het gietijzeren hek dat toegang tot de kerk gaf was al op slot, daar overheen klimmen was verboden en de priester had de sleutel meegenomen.

„Verschrikkelijk!”, vatte een van de vrouwen de situatie samen.

De vrijwilliger zei dat de priester geen mobiele telefoon had, dat hij waarschijnlijk in de kloostertuin liep, maar dat hij er over een half uur misschien weer was.

Ik was mijn ouders met terugwerkende kracht dankbaar dat ze voor mijn geboorte waren weggetrokken uit deze uithoek

Ik keek naar buiten, naar de vriendin, die met de baby zat te koken in de auto, die ze maar vast dreigend stationair liet draaien. Ik stak de handen in de lucht, een gebaar van ‘ik weet ook niet hoe lang dit gaat duren’.

Een van die zangkoorvrouwen zei: „We kunnen ook een weesgegroetje doen.”

Ja, dat kan, dacht ik, maar we kunnen het ook niet doen.

„Hopen op een wondertje”, zei de vrijwilliger, die eraan toevoegde dat hij als hij zoiets aan de hand had altijd een kaarsje ging opsteken bij ‘De Heilige Eik’ in Oirschot, waar menig wonder was gebeurd. Mijn sleutels kreeg ik met dat verhaal niet terug, maar ik was mijn ouders wel met terugwerkende kracht dankbaar dat ze nog voor mijn geboorte waren weggetrokken uit deze uithoek waar de Middeleeuwen nooit ver weg leken. Omdat de oplossing niet vanzelf kwam ging ik met gebogen hoofd terug naar mijn teleurgestelde gezin in de auto. Ergens halverwege de lange rit naar huis vond ik mijn sleutelbos terug onder de bijrijdersstoel.

Mijn vader had dat een wonder gevonden, de dames van het kerkkoor waarschijnlijk ook.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.