Vakantietijd is topdrukte voor de noodhulp op het ministerie

Consulaire hulp

Jaarlijks raken duizenden Nederlanders op reis in nood. Soms kunnen ze niet pinnen, maar er zijn ook ernstiger zaken, zoals ontvoeringen. De overheid biedt hulp.

Koen van Weel / ANP

Het waren hectische dagen voor de afdeling Consulaire Aangelegenheden van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Bij de ontvoering van Derk Bolt en Eugenio Follender door guerrillabeweging ELN waren ambtenaren in Den Haag 24 uur per dag beschikbaar voor bijstand. Nu de makers van het tv-programma Spoorloos terug zijn uit Colombia, is er nog steeds topdrukte. Want de zomervakantie staat voor de deur.

Consulaire Aangelegenheden houdt zich niet alleen bezig met gevallen als Bolt, vertelt Tessa Martens, plaatsvervangend hoofd van de afdeling. Iedere dag melden zich bij het ministerie drieduizend Nederlanders met vragen of problemen.

De moeilijke gevallen, zo’n duizend per jaar, komen bij Consulaire Aangelegenheden terecht. Dat varieert van Nederlanders die er niet bij stil hadden gestaan dat ze in Cuba bijna nergens kunnen pinnen, tot mensen die het slachtoffer zijn geworden van een aanslag, ontvoering of een ander misdrijf. Jaarlijks overlijden zo’n tweehonderd Nederlanders op reis in het buitenland, driehonderd mensen belanden daar in een ziekenhuis.

Vijftien consulair medewerkers behandelen de moeilijke hulpvragen. Vier ambtenaren ‘doen’ Europa, drie Latijns-Amerika. Andere delen van de wereld, het Midden-Oosten bijvoorbeeld, moeten het stellen met één ambtenaar. Die heeft minder dossiers op zijn bureau, maar doorgaans complexere zaken. Martens: „Moeilijke landen, vreemde de talen die Nederlanders niet beheersen, culturen die ze niet kennen. Dat is iets anders dan een reiziger die in een Europees land in de problemen komt.”

Op de gang van de afdeling hangt een prikbord met knipsels en kaarten van zaken die het team heeft behandeld. Vrijwel geen land ter wereld zorgt zo goed voor zijn burgers in den vreemde als Nederland, zeggen ze bij Buitenlandse Zaken met enige trots. „Wij Nederlanders reizen veel. En Nederland is een verzorgingsstaat, dus de overheid zorgt ook voor burgers als die in het buitenland in de problemen raken.”

Psychiatrische patiënten

Moeilijk om te helpen zijn psychiatrische patiënten. Zij willen vaak niet terug naar Nederland, hebben meestal geen reisverzekering en het contact met de familie is in veel gevallen verbroken. Bovendien willen luchtvaartmaatschappijen ze liever niet aan boord. „Wij moeten dat dus oplossen”, vertelt Martens. „Wij willen graag dat de patiënt ter plekke dusdanig herstelt, dat hij begrijpt dat het beter is als hij naar Nederland teruggaat.”

Ze herinnert zich een oud dossier van een man die dacht dat hij de keizer van China was. Hij was per trein naar Peking gereisd en werd verwaarloosd en zonder medicijnen door de politie van straat geplukt. Uiteindelijk kwam hij in een Chinese kliniek terecht. „Dan heb je dus een Chinese psychiater en een Nederlander uit Amsterdam: dat matcht niet zo goed. Bovendien dacht hij dat hij de keizer van China was, dus hij wilde absoluut niet terug naar Nederland.” Na een lang traject, met hulp van het ministerie en bemiddeling van artsen, kwam hij tot inkeer en keerde terug.

Consulaire Aangelegenheden komt niet alleen in actie nadat iets is misgegaan. De afdeling geeft ook vooraf reisadvies. Van ieder land zijn kaartjes gemaakt waarop precies te zien is welke gebieden veilig worden geacht en welke niet. Wie naar geel gemarkeerde gebieden reist, loopt bepaalde risico’s; zo is in Indonesië het verkeer veel gevaarlijker dan in Nederland. Reizen naar oranje gebieden, waaronder Noord-Korea, wordt ontraden. Daar moet je alleen heen gaan als het niet anders kan. Bij gebieden die rood zijn gekleurd, zoals de regio waar Derk Bolt werd ontvoerd, is het advies: volledig mijden.

Tap of houd muisknop ingedrukt om in te zoomenDe verzoeking van de heilige Antonius

Bolt zei in het televisieprogramma Jinek over zijn voorbereiding op de reis: „Het gebied is op alle fronten aan ons voorgespiegeld als zijnde veilig.” Ter plaatse had hij bovendien navraag gedaan bij onder meer politie en leger. „Je kunt net zo lang door blijven zoeken tot iemand zegt: ‘Je moet het niet doen’.”

‘We laten niemand stikken’

„Mensen moeten natuurlijk zelf weten of ze naar zo’n gebied gaan”, zegt Martens. „Maar onze reisadviezen zijn er niet voor niets. Iedere kleur is weloverwogen, bepaald in overleg met ambassades, lokale autoriteiten en andere diensten.”

De reisadviezen zijn volgens het ministerie realistisch en actueel. Maar als iemand toch een rood gebied ingaat, houdt de betrokkenheid niet op, benadrukt Martens. „Onze houding is niet: eigen schuld dikke bult; het was rood, dus zoek het zelf maar uit. Absoluut niet, we laten niemand stikken.”

Jaarlijks raken circa zeventig en honderd mensen op reis vermist. „In heel veel gevallen lopen die zaken goed af”, vertelt Martens. „De meeste verdwenen Nederlanders krijgen weer contact met de familie.” Soms hebben reizigers bijvoorbeeld dagenlang niets van zich laten horen omdat hun telefoon leeg is. Daarom checkt het ministerie voor bepaalde gebieden eerst of de stroom is uitgevallen.

Maar soms is er een nare afloop. „Mensen die toch worden gevonden, maar die niet meer in leven zijn. Of mensen die vermist blijven.”

Van zaken die niet zijn opgelost, wordt het dossier nooit gesloten. De oudste zaak in behandeling betreft een vermissing uit 1982, van een jongen die in Chili op reis was. „Met zijn ouders hebben we tot op de dag vandaag nog contact. Zij bellen ons bijvoorbeeld op en zeggen: ‘Wij zijn de komende vier weken op vakantie, dus dan zijn we er niet. Als er nieuws komt…’ En dat gaat zo al 35 jaar.”