Recensie

‘Carmina Burana’ door koor van amateurs vol musiceervreugde

Klassiek Tijdens het slotconcert van de Haarlemse Koorbiënnale zette het Festivalkoor zich met onversneden enthousiasme aan de ‘Carmina Burana’. Lucas en Arthur Jussen tekenden voor de pianopartij.

Het Festivalkoor van de Haarlemse Koorbiënnale, dit jaar bestaande uit tachtig amateurs, met Arthur en Lucas Jussen achter de vleugel. Foto Melle Meivogel

Vaste prik bij de Haarlemse Koorbiënnale is een concert van het Festivalkoor. Een ad-hocgroep, dit jaar bestaande uit zo’n tachtig amateurzangers, studeert iedere editie een bekend koorwerk in onder leiding van dirigent Béni Csillag. Met extra zangkracht van de Bavo Cantorij en Kinderkoor St. Bavo zette de club zich zondag aan Carl Orffs Carmina Burana.

In de bewerking voor twee piano’s en slagwerk van Orff-leerling Wilhelm Killmayer tekenden Arthur en Lucas Jussen voor de dubbele klavierpartij. Vader Paul Jussen trommelde voor de gelegenheid de percussiesectie van het Radio Filharmonisch Orkest op.

Twee gezichten

Orffs cantate op middeleeuwse teksten, over liefde, drank, seks en het wispelturige noodlot is een werk met twee gezichten. Enerzijds is het stuk verguisd om de vermeende nazi-sympathieën die in de bombastische noten zouden doorklinken. Anderzijds is Carmina Burana onmiskenbaar een van de populairste koorcomposities uit de twintigste eeuw. Dit dankzij de aanstekelijke mengelmoes van vitale en primitivistische stampritmes, verstilde lyriek, overrompelende koorpassages en felle klankkleuren.

Dat daar in de niet altijd even inventieve Killmayer-bewerking veel van overeind bleef was te danken aan het spel van de Jussens. De broers lieten het rad van fortuin dwingend voortrazen in het openingskoor en zochten in de zomerse reidans (‘Reie’) naar subtiele mengkleuren met het slagwerk.

Scherpe contrasten

De zangprestaties: amateurs zijn geen professionals, maar weten het resulterende gemis aan techniek en nuance vaak ruimschoots te compenseren met onversneden enthousiasme en musiceervreugde. Dat was zondag zeker het geval in de Grote Zaal van De Philharmonie. Het openings- en slotkoor ‘O Fortuna’ kenmerkten zich door een totaalklank die stond als een huis. ‘Floret silva’ bloeide op door scherpe contrasten. Het drinklied ‘In taberna’, berucht om zijn lastige lettergrepenrace, ontspoorde niet, maar had wat ruiger gemogen.

Bij de solisten (overigens wel professionele zangers) deed bariton Dietrich Henschel zich kennen als een meeslepende verhalenverteller met een schaamteloos theatrale voordracht. Jammer: in het hoge register klonk hij, net als sopraan Renate Arends, wat stroef.