Misschien zie je hoe je zelf voorbijgaat

‘Waarom is er überhaupt iets en niet veeleer niets”, vroeg de Duitse filosoof Leibniz zich af. Het is een bijna adembenemend fundamentele vraag die menigeen toch achteloos stelt. Maar je moet toegeven: het is een goede vraag en het is meteen een vraag die de vanzelfsprekendheid van alles onderuit haalt. Mooi, want als we ergens een hekel aan hebben, is het wel aan vanzelfsprekendheid.

Elke filosoof en elke kunstenaar houdt ons voor dat we ons niet genoeg verwonderen. Zonder vragen doen we geen kennis op, maken we geen kunst, vervelen we ons. En de onbeantwoordbaarheid van de vraag - want niemand wéét immers waarom er niet ‘veeleer niets’ is, waarom wij er zijn, de aarde er is, de dagpauwoog en de spitsmuis bestaan - maakt het alleen maar interessanter.

Goed. Je probeert zo vaak braaf deze raadselachtigheid tot je door te laten dringen. Deze fluweelboom voor mijn raam en geen andere, hij leeft op een manier die ik niet begrijp, ik noem de veerachtige groene producties aan zijn takken ‘bladeren’ en beweer dat hij bloeit met rode fluwelen kaarsen. Dat kan die boom allemaal niets schelen. Als je even zo doordenkt ontvalt de taal je – wat doet het woord ‘schelen’ hier, heeft een boom bewustzijn, kan ik überhaupt over een boom praten zonder daar eerst iets van te maken dat past in mijn voorstelling van de wereld?

Alledaagse filosofie. Ik weet niet of het ergens goed voor is, maar soms denk je zulke dingen.

Eigenlijk is er een heel andere vraag, ongeveer het omgekeerde van Leibniz’ kwestie die me bezighoudt: hoe kan iets worden tot niets. Waarom is er ineens niemand en niet veeleer iemand? Ja dan heb je het niet over de wereld maar altijd over een specifiek verdwijnen.

Het lijkt wel of het steeds moeilijker wordt om te accepteren dat iemand dood kan gaan. Het wordt steeds gewoner naarmate er meer mensen in je omgeving sterven. Maar toch denk ik al dagen hoe het toch kan dat de man die nog maar net stierf, wiens stem ik nog zo kan horen, die stem niet meer kan gebruiken. Dat hij een ‘laatste adem’ heeft uitgeblazen. Dat er niets van hem over is. Een leegte waar een volte was.

Ik weet het: zinloze vragen. Gewoon het voorbij gaan van de tijd. Maar als er iets onverdraaglijk en onbegrijpelijk is, dan is het dat wel en het is geen wonder dat de onbegrijpelijkheid daarvan toeneemt naarmate een mens ouder wordt en ziet hoe alles voorbijgaat, of misschien zie je hoe je zelf voorbijgaat. Van tijd wordt bijna alle poëzie gemaakt: Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd noemde Robert Anker zijn laatste dichtbundel.

Ik denk aan de vrouw van de gestorvene, ze is al zo oud, ik zie haar tollen in de leegte van een huis waarin bijna elk gewoon voorwerp ineens een teken is geworden van afwezigheid: zijn schilderijen, zijn hoedje op de kapstok, de kwasten die hij gebruikte, de schoenen die hij aandeed om de tuin in te gaan, enfin, we weten allemaal hoe voorwerpen de sporen van aanwezigheid dragen voor ze terugvallen in betekenisloosheid. Zou je ooit oud genoeg worden om dat onbegrijpelijke verdwijnen echt te aanvaarden?

Intussen leven we door. Zo is het nu eenmaal. Ik lees een boek dat gaat over wat we bedoelen als we zeggen ‘het leven’. Dat boek heet Geen idee. Zo is het maar net. De schrijver ervan, Jan Warndorff beoefent een ‘filosofie van het boerenverstand’ zoals hij dat zelf noemt. „Probeer van zoveel mogelijk, zoveel mogelijk te houden” schrijft hij. Ook al verdwijnt het. Nee: juist daarom.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.