Er was geen buffertje

Er ontwikkelde zich een verdienstelijk herendubbel op de lommerrijk gelegen tennisbaan. Vanaf een bankje aan de zijkant keek ik toe. Het betrof vier dertigers die niet voor elkaar wilden onderdoen. Ze volleerden fanatiek met korte, droge knallen aan het net.

Achter mij stonden twee vrouwen die met me meekeken. Ze bleken bekenden van de spelers te zijn, ook al kenden ze elkaar niet goed. Ik keek snel om, want bij stemmen wil ik altijd de gezichten even zien.

„Bij wie hoorde jij ook weer?” vroeg de stevigste van de twee. Ze droeg een strakke, witte broek, had een rond, open gezicht en geblondeerd haar.

De andere vrouw, een brunette, was wat chiquer gekleed en zei terwijl ze op een van de spelers wees: „Ik ben de vriendin van Charles.”

„Van Charles… natuurlijk, nou weet ik het weer”, zei de blondine, „we hebben elkaar weleens eerder ontmoet. Jij werkte toch op een bank?”

De brunette knikte aarzelend. „Niet meer. De bank ging reorganiseren en het leek me beter dat vóór te zijn. Charles en ik fantaseerden al veel langer over een eigen bedrijf. Charles had een vaste baan, maar hij wilde ook weleens wat anders.”

„Begrijp ik”, zei de blondine, „ik herinner me dat Willem daar iets over verteld heeft.” Haar interesse was duidelijk gewekt, want ze staakte opeens haar aanmoedigingen voor de spelers, vooral voor de lange, nors kijkende man die tegenover Charles speelde en net deed alsof hij niets hoorde. Ik nam aan dat hij Willem was.

„Een eigen bedrijf”, mijmerde de blondine, „lijkt me best heftig. Hoe gaat zoiets?”

„Er lag een goed concept’’, zei de brunette, „al zag ik er eerst niet zoveel in. Charles moest me overhalen. We zijn een bedrijf dat een brug wil zijn tussen andere bedrijven en de consument. Veel bedrijven weten niet precies wat hun doelgroep is en hoe ze die kunnen bereiken. Wij helpen daarbij.”

Het klonk rijkelijk vaag, en ik vroeg me af waarom zij en Charles niet zelf een producerend bedrijf waren begonnen als ze zo goed wisten waar de doelgroepen waren. Of kon vaagheid juist de kracht zijn van een concept?

„Interessant”, zei de blondine. Haar stem klonk zachter, alsof ze op die manier haar scepsis zo krachtig mogelijk wilde onderdrukken. „En… hoe gaat het?”

„Redelijk”, zei de brunette. En na enige aarzeling: „Maar het kan beter. We zijn nu twee jaar bezig en het is nog steeds lastig.”

„Hebben jullie een buffertje?” vroeg de blondine.

Dat vond ik een mooi woord. Vroeger hadden we een appeltje voor de dorst, maar dat hoor je niet meer, uitdrukkingen verdwijnen geruisloos. Buffertje is bondiger.

„Eigenlijk niet”, zei de brunette.

„Het gaat er natuurlijk om de klant te overtuigen van je concept”, zei de blondine. De ander kreeg geen gelegenheid op deze dodelijke dooddoener te reageren. Er werd vanuit het clubhuis iets geroepen.

„Tim moet poepen”, zei de brunette, „misschien zie ik je nog.”

„Sterkte”, riep de blondine haar na.

Het was niet duidelijk of ze op Tim doelde of op het buffertje dat er niet was. Ik richtte mijn aandacht weer op de baan. Charles hoorde te winnen, vond ik.