Interview

En wéér gaan burgers alles zelf doen

Tine de Moor

In de Middeleeuwen waren er gilden, in de 19de eeuw boerenleenbanken. Nu zitten we in de derde collectieven-revolutie.

Tine De Moor brengt onderzoekers en burgercollectieven bij elkaar. „Het begint buiten de steden.” Foto Bram Petraeus

Wetenschappers uit meer dan 70 landen komen deze week samen in Utrecht. Zij houden zich, vanuit allerlei vakgebieden, bezig met een eigentijdse revolutie: de wedergeboorte van wat in de Angelsaksische traditie ‘the Commons’ heet. Die term staat voor collectief beheer van hulpbronnen door groepen burgers, los van overheid en markt, in de lange traditie van gilden en coöperaties.

Het gaat om collectieven voor duurzame energie, ouderenzorg, landschapsbeheer of de aanleg van een plaatselijk glasvezelnetwerk. Uit de hele wereld komen leden van zulke collectieven verslag uitbrengen van hun ervaringen en tegelijkertijd hun voordeel doen met de kennis van de onderzoekers.

Tenminste, zo had Tine De Moor het zich voorgesteld. Ze speelt al tien jaar met het idee van zo’n bijeenkomst, maar nu het zover is, is ze een beetje overdonderd door de massale opkomst: 800 deelnemers. De Moor is sinds 2012 hoogleraar sociaal-economische geschiedenis in Utrecht en is dit jaar mede-organisator van de 16de conferentie van de International Association for the Study of the Commons (IASC).

Het thema is deze keer ‘Practicing the Commons’, een aansporing aan de aangesloten academici om ook in contact te treden met mensen in het veld, met de huidige collectieve initiatieven. De Moor: „De leden van de IASC zijn zich ervan bewust dat er een ware ‘boom’ gaande is. Een paar jaar geleden zou ik niet geweten hebben waar ik heen moest met al die deelnemers. Nu kunnen we van Groningen tot Brabant naar allerlei collectieven gaan kijken.”

Hoe oud is dit verschijnsel van collectieve burgerinitiatieven?

„Heel oud. In de late Middeleeuwen zien we een enorme toename van allerlei collectieven, zowel op het platteland als in de stad. Het was een tijd van versnelde commercialisering, productie voor de markt. Op het platteland ontstaan ‘markegenootschappen’, boeren die onderlinge afspraken maken over het gebruik van ‘gemene gronden’. Die dienden vooral als graasland en waren wezenlijk voor de bemesting van de akkers, en dus voor de opbrengst.

„In de veertiende en vijftiende eeuw neemt de verstedelijking snel toe en komen steeds meer producenten en consumenten op de markt. Dat vergde een betere organisatie om producenten te verzekeren van een minimuminkomen en de klant van de kwaliteit van producten. Zo ontstonden in de steden ambacht- en koopmansgilden. De leden maakten afspraken over de te leveren kwaliteit en over de prijs die ze daarvoor konden vragen.”

„Aan die eerste golf van burgerinitiatieven komt een eind als rond 1800 de gilden in heel Europa met één pennenstreek worden afgeschaft en gemene gronden worden geprivatiseerd. Aan het eind van de 18de eeuw tendeert het politieke denken naar zoveel mogelijk individuele vrijheid. Daarnaast is er de opkomst van natiestaten, die allerlei zaken meer uniform en van bovenaf regelen.”

Die gilden verdwenen toch ook door mechanisering en schaalvergroting van de productie?

„Ja. Maar zij waren er niet alleen voor de productie, ze hadden ook een sociale functie, zoals verzekering en zorg voor weduwen en wezen. In de 19de eeuw zien we dan ook allerlei nieuwe vormen van verzekeringen, om dat weggevallen aspect van de gilden te compenseren. Uiteindelijk groeit dit aan het einde van de 19de eeuw uit tot de tweede golf van collectieve actie. We zien dan de opkomst van onderlinge verzekeringen en allerlei coöperaties, zoals boerenleenbanken.”

Wat dreef die tweede golf?

„De drijfveer was dezelfde als bij de eerste golf: snelle privatisering en commercialisering in de 19de eeuw. Daardoor dreigden groepen burgers uit de boot te vallen. Boerenleenbanken werden opgezet omdat krediet aan landbouwers als te riskant gold en zij niet welkom waren bij commerciële stedelijke banken. Om diezelfde reden ontstonden ook veel andere coöperaties. Op de lange duur gingen die fuseren en zo ontstonden mastodonten als de Rabobank, Achmea, Friesland-Campina. Die hielden voor een deel vast aan coöperatieve idealen, maar deden daar deels afstand van door internationalisering.”

Wanneer begint de huidige, derde golf?

„Nog vóór de jongste economische crisis. In Nederland begint het in 2005. De reden was dezelfde als bij eerdere golven: snelle privatisering. Collectieve burgerinitiatieven zijn te beschouwen als een correctiemechanisme voor het falen van zowel markt als overheid.

„De crisis had wel een aanjagend effect. Die wierp voor mensen de vraag op hoe ze nu aan energie en zorg moesten komen.”

Waardoor onderscheidt de derde golf zich van de twee voorgaande golven?

„Deze golf is nog jong, maar heel veel mensen die nu bezig zijn met burgerinitiatieven hebben niet de ambitie om naar een heel grote schaal te gaan. Men geeft de voorkeur aan rechtstreekse contacten, aan sociale controle. Lid van een coöperatie word je niet lichtvaardig. Als lid van een energiecollectief moet je aandelen kopen. Het is niet zo vrijblijvend als een tijdje energie afnemen van Eneco. Daar betaal je voor wat je verbruikt, terwijl een energiecoöperatie kan vragen om kapitaal. Je draagt dan ook risico.”

Deze nieuwe burgerinitiatieven lijken vooral op te komen op het platteland. Klopt dat?

„Ja. Stedelingen – ik ben er zelf een – denken dat zij in alles vooroplopen. Ik heb tijdens een optreden in Amsterdam gezegd dat deze institutionele revolutie plaatsgrijpt buiten de grote steden.

„En dat is ook logisch, want daar wordt marktfalen het eerst gevoeld. Er is onvoldoende kritische massa om een functionerend kinderdagverblijf of ouderenzorginstelling te laten draaien. Of een supermarkt. Dan gaan burgers zelf dingen doen. Alle theorieën over de stad als motor van verandering ten spijt, op het platteland wordt de biodiversiteit gegarandeerd, wordt de natuur overeind gehouden.”

Hoe ziet u de toekomst van deze derde golf?

„Het is heel spannend. Het zal er helemaal van afhangen of lokale overheden vertrouwen durven te geven, een zeker falen durven toelaten. Er zijn nu ruim 300 energiecoöperaties in Nederland, maar als je alle leden optelt kom je op 40-50.000 leden. Dat is nog heel weinig. Gaan die collectieven groeien; zitten ze aan hun plafond, komen er nog initiatieven bij? Dat is een beetje de vraag. Maar ik heb het gevoel dat deze clubs zich niet zo snel uit het lood laten slaan. Als ik nu zie hoeveel mensen er afkomen op de conferentie en hoeveel clubleden erbij zitten, dat is heel indrukwekkend.”