In de Tour zoeken renners de grenzen van hun lichaam op

Afzien in het wielrennen

De Tour de France is drie weken afzien. Maar wat is afzien precies, en is het wel gezond? „Het is alsof je voor je leven aan ’t vechten bent.”

De Fransman Lilian Calmejane trapte afgelopen weekeinde door zijn kramp heen om een etappe in de Tour te kunnen winnen. Na de finish was hij op. Foto Christian Hartmann/Reuters

Peter Winnen herinnert het zich nog als de dag van gisteren. Het moment dat de schrijver en voormalig profrenner het meest afzag op de fiets. Dat was in 1981, in de derde week van zijn eerste Tour de France. In zijn jeugdige overmoed demarreerde de debutant op zeven kilometer van de top van Alpe d’Huez uit een groepje met de Tourwinnaars Lucien Van Impe en Bernard Hinault. Zijn enige doel was om de achtervolgers voor te blijven.

„Als ik er 35 jaar later aan terugdenk, dan vind ik het nog steeds niet normaal hoe hard ik daar heb afgezien”, zegt Winnen. „Er is ook echt niks leuks aan dat afzien. Ik wilde van de fiets stappen, me verstoppen tussen het publiek. Maar het is de Tour, dat doe je niet, een soort instinct neemt het van je over, alsof je voor je leven aan het vechten bent.”

Afzien is niet enkel een lichamelijke sensatie, het gaat gepaard met een mentaal doel. De sporter moet iets zo graag willen dat hij of zij bereid is om alle signalen van het lichaam te negeren en alle grenzen over te gaan.

„Pijn is niet functioneel”, zegt Maarten Tjallingii, die vorig jaar stopte als wielerprof. „Het gaat om de beleving van pijn. Ik probeerde mezelf af te leiden door bewust een positieve stemming te kweken. Je kunt niks doen waardoor je lichaam andere signalen gaat afgeven, je kunt wel je stemming beïnvloeden. Van denken aan de pijn kom je in een vicieuze cirkel. Ik dacht dan liever aan mooie momenten uit mijn leven. Iedere renner doet dat op een andere manier.”

In zijn boek The Secret Race legt wielrenner Tyler Hamilton uit hoe hij met pijn omging. Hij beschrijft hoe hij de pijn verwelkomt, zichzelf meer pijn doet en zo in een soort trance komt. De Amerikaan rijdt in 2003 bijna de hele Tour de France met een gebroken sleutelbeen.

Een jaar eerder breekt hij zijn schouder in de Giro d’Italia en rijdt dan ook door, al kost hem dat wel een gebit. Hamilton doorstaat de schouderpijn door met zijn tanden te knarsen die daardoor zo afslijten dat de zenuwen bloot komen te liggen. Zelfs onder wielrenners zijn de verhalen van Hamilton extreem, maar Tjallingii maakte ook zoiets mee. „Je gaat gewoon altijd door, want je wil je doel halen. Dat had ik in 2012 toen ik viel in de Tour op 35 kilometer van de aankomst. Ik verging van de pijn, maar ben toch maar naar de finish gefietst. Achteraf bleek mijn heup gebroken. Ik zou het morgen weer doen. Blijven liggen als je valt is geen optie, dan lig je daar maar. Dan kun je beter de finish proberen te halen, wellicht kun je de volgende dag verder.”

Waarschuwingssignalen

Een wielrenner gaat tijdens het afzien nooit boven zijn kunnen, zegt sportarts Guido Vroemen. Wel zal hij de uiterste grenzen van zijn lichaam opzoeken, tegen alle waarschuwingssignalen van dat lichaam in. „Het afzien gebeurt wanneer je tank leeg is. Je energie is op, maar je wil het tempo volhouden. Daar komt mentale kracht bij kijken. Je lichaam en geest moeten dezelfde richting op wijzen. Je moet de motivatie hebben om die pijn te verdragen. Je fysieke vermogens gaan niet omhoog door mentaal veel te willen, je maximale hartslag blijft hetzelfde, je hoeveelheid energie ook.”

De Tour de France is een uitzonderingsgeval, zeggen arts en renners. Voor bijna alle renners is de Tour deFrance het hoogst haalbare, dus zullen ze alles op alles zetten om bij te benen, hun knechtenwerk te doen of te winnen. Ook is er weinig mogelijkheid en uitzicht op herstel. Tjallingii: „In de Tour de France ga je drie weken door, er is geen herstelperiode. Er is geen rustige dag, die je soms in andere rittenkoersen wel hebt. De Tour is het hoogste doel en als je daar bent dan is het geen optie om af te stappen of te lossen. Je moet mee, je moet werken voor je team, ongeacht wat het kost.”

Van ‘overreach’ naar overtraining

Ver en langdurig voorbij de grens gaan die het lichaam aangeeft, wordt overreaching genoemd, zegt sportarts Vroemen. Aan het einde van de Tour de France worden daarvan de symptomen zichtbaar. Ondanks de vermoeidheid kunnen de renners niet goed meer slapen, ondanks het verlies van gewicht en energie verdwijnt hun eetlust. Vroemen: „De Tour de France is niet gezond.
Renners tasten hun reserves zo ver aan dat uiteindelijk hun hormonale systeem in de war raakt. De aanmaak van testosteron heeft daarmee te maken, maar ook in het stresssysteem zie je dan veranderingen: cortisol dooft uit. Dat is met rust wel te herstellen. Als overreach doorzet, krijg je overtraining. Sporters die dat hebben, kost het soms twee jaar te herstellen en zijn al die tijd moe, slapen slecht en zijn geïrriteerd.”

De combinatie van Tour de France en de daaropvolgende lucratieve criteriums zorgden in zijn tijd als prof ook bij Peter Winnen voor een soort van overtraining. „Ik was zo vermoeid in augustus dat ik me pas met kerst weer beter begon te voelen.” Winnen denkt dat het grote afzien bij een jonge leeftijd hoort. „Zo diep gaan als dat eerste jaar durfde ik later niet meer. Afzien wordt op een gegeven moment routine, je kent je lichamelijke reacties en weet wat er gebeurt. Het afzien is niet iets wat ik mis. Toen ik stopte met wielrennen was ik zo blij dat het niet meer hoefde.”

Voor Winnen betaalde dat afzien op die dag in 1981 op Alpe d’Huez zich uit. Geletruidrager Hinault en de beste klimmer uit die Tour Van Impe konden hem net niet meer bijhalen en bovenop wat later mede dankzij hem de Nederlandse berg zou gaan heten, behaalde de Nederlandse Tourdebutant na 230 kilometer een verrassende overwinning.