Cultuur

Interview

Foto Christophe Ena/AP

Chute Gesink, klinkt het amper een half uur na de start

Tour de France

Vanuit de bezemwagen van de Ronde van Frankrijk: de koninginnerit draait in de Alpen uit op een waar slagveld voor de wielrenners.

Stephane Bezault heeft zijn voiture balai nog niet uit het centrum van startplaats Nantua gestuurd of de eerste berichten over achteropgeraakte renners komen via Radio Tour al door de speakers. „Démare distancé, Démare dropped”, klinkt het luid en duidelijk wanneer de bezemwagen het bordje met ‘kilometer 0’ passeert. De Franse nationaal kampioen, winnaar van de vierde etappe, moet het peloton laten gaan zodra de Côte des Neyrolles begint. Een dag eerder kwam hij maar net binnen de tijdslimiet over de finish in Station des Rousses, bleekjes, volledig leeggetrapt. Hij zou ziek geweest zijn. Dat wordt deze zondag dus een lijdensweg van minstens zes uur, weet Bezault, die eens diep zucht en dan zegt: „Parce qu’aujourd’hui c’est dur he” – vandaag is zwaar. Dat heeft de pilote balai goed gezien. Net als zijn collega’s moet Démare, zowat tachtig kilo zwaar, zeven alpencols over, waarvan drie van de zwaarste categorie – etappe negen is de koninginnerit. En daar is zijn lijf helemaal niet op gebouwd.

Drie bochten verder komt Démare in beeld, geflankeerd door twee ploegmaats – landgenoot Mickael Delage en de Letse kampioen Ignatas Konovalovas, ook bepaald geen vedergewichten. Zij zijn aangewezen hun sprinter in hemelsnaam over die bergen te helpen, duwend en trekkend en scheldend en tierend als het moet. Want er komen nog genoeg massasprints, kansen op de groene trui bovendien.

Honderden meters voor Démare gaat het in de afdaling van dat eerste colletje van tweede categorie meteen mis, achterin het peloton. Het is de vooraankondiging van een slachtpartij in de Alpen. „Chute Gesink”, klinkt het om tien over twaalf, amper een half uur na de start. Op asfalt bedekt met een laagje regenwater gaat een groep renners onderuit en alleen Robert Gesink en de Italiaan Manuele Mori zijn blijven liggen. Aangekomen bij het duo stuurt Bezault de bezemwagen de berm in. De ambulance achter hem en moet er zo snel mogelijk langs.

Wedstrijdcommissaris Pierre Ayassami wil ook poolshoogte nemen. Aanvankelijk trekt de Italiaanse renner de meeste aandacht: hij ligt in foetushouding op de weg, zijn rechterschouder in een onnatuurlijkere houding dan de linker. Hij grijpt er ook naar. Een botbreuk, dat kan bijna niet anders. Aan de andere kant van de weg staat Gesink, als een levend standbeeld voorovergebogen, een ferme grimas op zijn gezicht gebeiteld. Hij heeft zoveel pijn dat hij zijn rug niet kan strekken. Wat een contrast met nog geen twintig uur geleden, toen zo dicht bij zijn eerste etappezege in de Tour.

Tot dit weekend bepaalden sprinters de gang van zaken in de Tour. En ook dat ging niet zonder doodsverachting.

Hij kon het gat net niet dichten

In de slotklim naar Station des Rousses naderde hij Lilian Calmejane zaterdag tot op vijftig meter, maar hij kon het gat met de jonge Fransman net niet dichten en werd tweede, evengoed zijn beste daguitslag in de Tour ooit. Daar kwam hij alleen niet voor, in de wintermaanden van 2016 liet hij de wereld al weten voortaan door het leven te willen als rittenkaper, en niet meer als man van het algemeen klassement. Zijn zege in de koninginnerit van de Vuelta had hem vorig jaar zo hongerig gemaakt dat hij de eerste echte bergrit deze Tour meteen op avontuur ging, zonder ultieme beloning, maar niets aan de hand. In de Ronde van Spanje had hij immers ook vier vluchtpogingen nodig om uiteindelijk tot die apotheose te komen. „Inrijden”, noemde zijn ploegleider Nico Verhoeven het. Zelf wist hij: „Er komen nog genoeg kansen.”

Maar daar in de berm van Vouvray-Ochiaz weet hij gelijk: mijn Tour is over. Als ambulancepersoneel met een brancard komt aangelopen, leunt hij er eerst tien seconden tegenaan. In één klap verandert hij in een oude man, kreupel, alle moraal uit het tengere lijf geslagen. Een treurig beeld van een renner die achtervolgd wordt door pech: er waren problemen bij de geboorte van zijn kinderen, hij verloor zijn vader na een val tijdens een mountainbiketocht, blessures hielden hem meer dan eens aan de kant. Nu was hij terug, sterker dan ooit, klaar om te gaan oogsten in de grootste wielerwedstrijd ter wereld.

Voorzichtig peilt hij of hij zonder hulp op de brancard kan klimmen, maar dat gaat niet. Eenmaal zittend probeert hij te gaan liggen, terwijl hij zijn ogen dichtknijpt, zijn tanden zichtbaar door een van pijn vertrokken gezicht. De ambulance brengt hem naar een ziekenhuis in Onnoyax, waar blijkt dat hij een lendenwervel heeft gebroken. Gesink moet de komende dagen een korset dragen om de breuk te laten herstellen.

De Tour gaat zonder Gesink verder, natuurlijk, en de bezemwagen stuift in noodvaart naar de groep-Démare, die na een tweede col uit vijf man bestaat – ploegmakker Jacopo Guarnieri heeft zich laten zaken, volledig in dienst van zijn kopman, en ook de Australiër Mark Renshaw, net als Démare sprinter van beroep, kon het peloton bergop bij lange na niet bijbenen. Ze koersen vol gas, zeker in de afdalingen nemen ze zo veel risico dat de bezemwagen niet in de buurt kan blijven. Ze fietsen maar voor één ding: op tijd de finish in Chambéry halen.

De bezemwagen.
Foto Léon van Bon

In de pittoreske dorpjes staat het rijen dik met fans die hun held in de Franse driekleur toeschreeuwen. Aan zijn grauwe gezicht en voortdurend gebogen hoofd herkennen ze zijn lijdensweg. Als Démare en zijn knechten beginnen aan de eerste reus van de dag, de Col de la Biche, is de kop van het peloton al over de top, op weg naar de Grand Colombier. Radio Tour meldt weer een chute, Jesus Herrada smakt tegen het asfalt, en ook Geraint Thomas, opperknecht van Froome. „Merde”, roept Bezault als hij hoort dat ze niet verder kunnen.

Démare en zijn manschappen merken er niets van, ze hebben het zwaar genoeg met zichzelf. Zwalkend van links naar rechts ploeteren ze zich een weg naar de top van de Grand Colombier, stijgingspercentages van 22 procent trotserend, nu en dan hangend aan de ploegleiderswagen – geen jurylid die ze daarvoor zal sanctioneren. Ze spelen een bijrol in deze etappe. Démare gebruikt die truc wel vaak: als hij ook zijn wachtende ploeggenoten niet meer kan bijhouden, vraagt hij om een bidon en laat hij zich honderd meter voortduwen. Naar het einde toe krijgt hij maar gewoon een hand van zijn ploegleider: hij moet toch naar boven.

In de afdaling van de Grand Colombier gaat het boven de tachtig kilometer per uur. De bezemwagen krijgt moeite: tijdens een plaspauze vult de bosrijke omgeving zich met de geur van verbrand staal.

Onderweg naar de Mont du Chat klokt commissaris Ayassami de achterstand op de kop van de race: ruim veertig minuten. Het lijkt erop dat deze vijf eenzame strijders, waarvan vier de Franse formatie FDJ, hun laatste meters deze Tour rijden. Ze ploeteren alleen nog voor hun eer en goede naam – in de Tour geeft niemand zomaar op. De bezemwagen blijft dan ook leeg.

„C’est un massacre”, klinkt het dan op Radio Tour. Terwijl de groep Démare nog aan de voet van de slotklim moet zien te geraken, gaan twee van de grootste uitdagers van Chris Froome vijfentwintig kilometer verderop in de afdaling snoeihard onderuit. Richie Porte eerst, en Dan Martin knalt eroverheen. Porte blijft lang liggen, krijgt een nekbrace om en wordt met spoed naar het ziekenhuis gebracht – abandon nummer vijf van de dag, dat is met recht een slachtpartij te noemen.

Richie Porte krijgt medische ondersteuning na zijn val op de afdaling van de Mont du Chat. Foto Christophe Ena/AP

Twee handen op de billen

Démare en zijn mannen worden door toeschouwers de Mont du Chat opgeduwd. Elke honderd meter is er wel iemand die het beeld van een zwabberende profwielrenner niet kan verdragen en besluit een stukje mee te hollen, twee handen op de billen, of aan de zadelpen. De renners hebben het nodig, gebaren ze naar het publiek, en welke fan weigert zo’n kans.

Het gebeurt allemaal kilometers achter de helden van de dag: Rigoberto Urán wint de eindsprint van Warren Barquil. Na zeven Alpencols moet er een fotofinish aan te pas komen.

Als zij worden gehuldigd, gooit Démare zich nog eens over zijn stuurpen. Hij rijdt met zijn wit uitgeslagen teamgenoten naar Chambéry, maar weet waarschijnlijk al dat dat een kansloze exercitie is: op de streep heeft hij een achterstand van bijna een uur. De winnaar van de vierde etappe ligt eruit, met zijn halve team. Twaalf renners stappen niet meer op. Inderdaad, het was een slagveld.