Inzake Israël is ook het recht een zwaar bevochten front

Werkelijk alles in het Palestijns-Israëlische conflict is omstreden. Ga er maar aan staan, als journalist.

Heeft u ook eens goed nieuws, ombudsman? Nou, omdat u het vraagt. Vorige week wees de Raad voor de Journalistiek een klacht tegen de krant af van Likoed Nederland, een vereniging die het gedachtengoed van die partij uitdraagt.

Volgens Likoed had NRC-correspondent Derk Walters een uitspraak van de Amerikaanse kandidaat-ambassadeur in Israël, David Friedman, tendentieus vertaald en ook nog eens onjuist beweerd dat Jeruzalem „internationaal” geldt als corpus separatum, een entiteit die onder internationaal toezicht zou moeten vallen.

Beide punten werden door de Raad afgewezen. De weergave van Friedmans uitspraak (hij noemde progressieve Joden „veel erger” dan „kapo’s”, door Walters geparafraseerd als „nazi-collaborateurs”) kon door de beugel, evenals Walters’ omschrijving van Jeruzalem. Weliswaar is die beoogde status van de stad, uit het VN-verdelingsplan uit 1948, compleet irreëel, maar de term wordt nog gebruikt door, onder meer, de EU en het VK.

De zaak is interessant, omdat het nog eens laat zien hoezeer het Israëlisch-Palestijnse conflict tot op woordniveau wordt bevochten. In geen ander conflict wordt bovendien zo geschermd met „internationaal recht”.

Verdedigers van Israël wijzen er dan graag op dat vaak onduidelijk blijft wélk internationaal recht wordt aangehaald, en of dat terecht is. Want werkelijk alles in deze historie is omstreden. Van de Balfour-verklaring via de Volkerenbond en het Britse mandaat naar het VN-verdelingsplan, Oslo en Camp David. Het is in een krant ondoenlijk om dan steevast tot achter de komma alle posities te markeren – dat is door de Raad nog eens bevestigd.

Dat neemt niet weg dat critici een punt hebben dat „internationaal recht” snel een mantra kan worden dat wordt aangeroepen, in plaats van een begrip dat wordt uitgelegd.

Een voorbeeld: eerder dit jaar correspondeerde ik met Jan Kuitenbrouwer over een column waarin hij het opnam voor Dyab Abou Jahjah, die een aanslag met een vrachtwagen op Israëlische militairen (vier doden) goedkeurend had begroet, wat hem zijn werk voor De Standaard kostte. Kuitenbrouwer stelde dat „oorlogsrechtdeskundigen” niet weerspreken dat (Oost-)Jeruzalem bezet gebied is en noemde de militairen een „legitiem doel”.

Maar op grond waarvan? De Geneefse (1949) en Haagse Conventies (1907) verbieden nodeloos wrede wapens, ook in de strijd tegen bezetting. Volgens hoogleraar oorlogsrecht Terry Gill, die ik om raad vroeg, kan een enkele burger die met een vrachtwagen op militairen inrijdt, volgens bezettingsrecht worden aangemerkt als een ‘gewone’ moordenaar. Parallellen met de Duitse bezetting van Nederland lijken me ronduit misplaatst.

Kuitenbrouwer liet me weten dat hij geen juridisch, maar een moreel oordeel had willen vellen – en dat laat ik graag aan hem. Hij wees er ook op dat de Geneefse Conventie door beide zijden geschonden wordt, en dat is zeker zo. Ook critici van de Israëlische nederzettingen beroepen zich op die Conventie, die het verplaatsen van eigen bevolking naar bezet gebied verbiedt. Israël meent dat dit niet opgaat voor vrijwillige verhuizing en houdt staande dat geen sprake is van „bezet gebied” – al oordeelde het Internationaal Gerechtshof in 2004 anders.

Ga er maar aan staan, als journalist.

Niettemin, ik zou er voor pleiten om „internationaal recht” zo min mogelijk terloops te gebruiken en waar mogelijk toe te lichten wélk recht of verdrag in het geding is. Controversieel zal het blijven, want ook het recht is in dit conflict inzet van armpje drukken.

Nog meer juristerij. Boven een stuk van Walters over de vervolging van een Palestijnse dichteres plaatste NRC de schrikbarende kop ‘In Israël is poëzie een misdaad geworden’ (2 juni). Maar zullen we niet even wachten tot de rechter heeft gesproken? Het was een citaat, maar dan nog: één zaak, nog zonder vonnis, rechtvaardigt niet zulke generieke stelligheid.

Tot slot een onterecht vonnis, eentje over de krant. Op internet gaan geluiden rond dat NRC het vertrek van Walters, die geen nieuw werkvisum kreeg, valselijk heeft voorgesteld. Hij zou louter zijn uitgezet omdat hij de regels had overtreden, en NRC zou uit zijn geweest op een rel. Het is onderdeel van een hatelijke campagne tegen Walters, die uiteraard ook al een „antisemiet” wordt genoemd.

Hoe zat het? Eind vorig jaar werd hem, nadat zijn werk door het Government Press Office (GPO) al eerder ter discussie was gesteld, de wacht aangezegd met de trouvaille dat NRC niet erkend kon worden als mediaorganisatie omdat de hoofdredacteur (al jaren) tevens zitting heeft in de directie en dus een commercieel belang heeft.

NRC vocht die beslissing aan, maar intussen zat Walters zonder werkvisum. Het GPO bood hem drie maanden verlenging aan, waar hij hangende het conflict niet op inging. En vervolgens werd dát de nieuwe stok om de hond te slaan, werken zonder vergunning, en het argument voor zijn uitzetting. Nee, met zijn berichtgeving was niks mis, heette het nu, en met de bestuursstructuur van NRC Media ook al niet.

Onverstandig dat Walters dat aanbod niet accepteerde? Het gaf het GPO een nieuw argument tegen hem. Maar dat betekent nog niet dat hij of de krant uit was op escalatie. Integendeel, het was het GPO dat uit de hoge hoed telkens een nieuw konijn trok.

Ook een correspondentschap kan heftig betwist gebied worden.