Huismoeders uit 1927 kenden geen burn-out

loopt met de Encyclopaedie voor de huisvrouw door haar eigen huis en ziet een gorillaverblijf.

Het woord burn-out valt in het hele boek niet. Overspannen of hysterisch ook niet. Toch ziet het leven van de huisvrouw in 1927 eruit als één grote vlek die alleen met een papje van sigarenasch en water en veel geduld en voorzichtigheid onzichtbaar gemaakt kan worden. En die toch alleen maar groter wordt.

Het boekje Wat gij moet weten, encyclopaedie voor de huisvrouw kwam onlangs per post terug waar het ooit voor het eerst werd uitgegeven, bij de redactie van NRC, die toen, in 1927, nog het Algemeen Handelsblad heette. Een attente lezer, Helene Reid, stuurde het op nadat ze de boekenkast had opgeruimd. „Fascinerend om te lezen”, schrijft ze. Vermoeiend, zou je ook kunnen zeggen. (Uit het boek: „Het stofschoon houden van den inhoud van een open boekenkast gaat het best met behulp van een ganzenwiek of met een stevige kwast.”)

Voorin staat dat A. Hudig-Rotgans het op 5 december cadeau kreeg. Zou mevrouw Hudig-Rotgans (als het een man is, eten we onze peau-de-suède-schoen op) blij zijn geweest met Sinterklaas of door dezelfde fatigue zijn overvallen als de lezer in 2017?

Het schapenvacht moet schoongewreven met warme zemelen, het pannenkoekmes gereinigd in sodawater en daarna geschuurd met een lapje gedompeld in Brusselsch zand, nogmaals afgespoeld, gedroogd met oud linnen en geschuurd met warm schuurzand „dat van een uiterst fijn soort moet zijn, daar men anders leelijke krassen krijgt op het blanke metaal”. Het nachtkastje moet elke week gewassen worden met carbolwater. En dan moest Den Grooten Schoonmaak nog beginnen!

Foto Spaarnestad/HH

Loop met dit boekje door je eigen huis en je ziet dat je in een gorillaverblijf leeft. Stofwolken onder het bed, strepen op de ruiten, vuile deurklinken, stinkend wasgoed, dode bloemen op een tafel vol kruimels – de auteur van WGMW, die we alleen kennen onder het pseudoniem Huismoeder, zou haar ogen ten hemel slaan.

Het geestelijk welzijn van de (huis)vrouw was in 1927 kennelijk geen issue. Drie van de 242 bladzijden gaan over gezondheid. Drie gaan over man en vrouw, waarbij vooral het wederzijdse onbegrip beschreven wordt. Vrouwen hebben een slecht geheugen en mannen begrijpen niet dat een vrouw toch niet overal denzelfden hoed bij opzetten kan en een vrouw ontstemd is wanneer ze sukkelt met haar personeel.

Ontstemd! Ha! Eindelijk een hint naar de mentale belasting van de vooroorlogse huisvrouw! Niet het droogdrukken van de wollen dekens of het opwrijven van de rieten serremeubelen werden haar te veel, het was vooral het personeel dat haar appelflauwtes bezorgde. Het dienstmeisje weet niet dat ze met een vuile doek het houtwerk beschadigt, hoe ze keurig hoort te tafeldienen, hoe ze schoenen, „die aan haar zorgen worden toevertrouwd” moet behandelen. En dan wil ze ook nog met vacantie! „Natuurlijk is het zaak, dat zóó te regelen, dat noch het huishouden, noch de vrouw des huizes van dit personeelverlof al te zeer de dupe wordt.”

Mevrouw Reid vraagt of NRC een archief heeft voor haar boekje. Dat hebben we. Hierbij beloven we dat we het netjes zullen opbergen en op gezette tijden met de ganzenwiek zullen schuieren.