Recensie

Zodra er sprake is van geweld, is er stilte

Edouard Louis

De tweede autobiografische roman van Edouard Louis is geschreven uit pure woede.

Illustratie Anne van Wieren

Op Eerste Kerstdag in Parijs, vroeg in de ochtend, brengt een jongeman zijn lakens naar de wasserij. In zijn jaszak zit het proces-verbaal van de poging tot doodslag waarvan hij zojuist aangifte heeft gedaan. Hij is doodsbang, heeft het koud. ‘Hij zal terugkomen’, maalt het in zijn hoofd. Om de herinnering uit te bannen, sopt hij als een gek zijn stoelen, schrobt hij de douche, wast hij zijn kleren, reinigt hij zijn neus – totdat niets meer ruikt naar de man die hem, na een liefdesnacht, bijna wurgde en met een revolver bedreigde. Weg wil hij, weg uit zijn huis waar hij werd verkracht en bijna vermoord. Hij zoekt zijn toevlucht bij zijn zus op het platteland, die hij al jaren niet meer heeft gezien.

Zo begint de tweede autobiografische roman van Edouard Louis, die wereldberoemd werd met zijn debuut Weg met Eddy Bellegueulle (2014). Daarin vertelt hij hoe hij opgroeit in een klein industriestadje in Picardië, in een gezin van petites gens. Vader werkeloos, moeder werkster. Dronkenschap en gewelddadig machogedrag zijn de gewoonste zaak van de wereld. De verteller, homoseksueel en dus een outsider op wie iedereen neerkijkt, krijgt het letterlijk voor zijn kiezen. Doordat Louis in zijn boek zo’n neutrale, klinische toon aanslaat, voelt ook de lezer iedere klap, iedere vernedering.

Zijn tweede roman Geschiedenis van geweld maakt eenzelfde enorme indruk – vanwege de toon, de stijl, de taal en vooral vanwege de obstinate en subtiele zoektocht naar het hoe en waarom. De hoofdpersoon woont inmiddels in Parijs en maakt ons deelgenoot van het trauma dat hij opliep in de bewuste kerstnacht. In de eerste uren erna kan hij alleen maar praten, praten als een gek, irrationeel analyseren, monomaan vragen stellen. Daarna komt de schaamte en het grote zwijgen: ‘Je zou haast denken’, zegt Louis zijn oudere voorbeeld Annie Ernaux na, ‘dat de levendigste herinneringen van een leven altijd die van de schaamte zijn’.

Kloof tussen arm en rijk

In Frankrijk werd Weg met Eddy Belleguelle een bestseller. Het boek veroorzaakte een heftig debat: over de enorme kloof tussen arm en rijk, de afstand tussen het centrum en de banlieue, de welvaartsverschillen tussen de steden en het platteland. De meer dan twintig vertalingen wereldwijd lieten zien dat het onderwerp niet alleen de Fransen aansprak.

Aan de vooravond van de Franse verkiezingen legde Louis in interviews in binnen- en buitenland uit waarom zoveel inwoners van het Noord-Franse dorp waar hij geboren werd voor het Front National stemmen: ze voelen zich niet gehoord, niet gekend, uitgekotst. In het soort familie waar hij vandaan komt, is politiek geen loos woord, maar een ‘vloek’ waarvan afhangt of er voldoende eten op tafel komt.

In de essaybundel die Louis samenstelde, Pierre Bourdieu, L’insoumission en héritage (zeer aan te bevelen, ook voor de zoekende partij-ideologen van de PvdA), beschrijft Louis hoe zijn vader, na een incidentele verhoging van de studietoelage, met zeldzame vrolijkheid aankondigt dat ze een dagje naar zee kunnen – een ongekende luxe. De politiek bepaalt hoe hun leven eruitziet. ‘Toen Mitterand aan de macht was’, zei een van zijn tantes altijd, ‘hadden we tenminste biefstuk op ons bord’. Ze voelden zich beschermd, hadden een dak boven hun hoofd.

Dankzij zijn studie ontsteeg Louis zijn sociale klasse. Hij kreeg toegang tot het literaire milieu en werd uitgenodigd op exclusieve feestjes van de superrijken. Daar constateerde hij dat er niemand was die echt afhankelijk was van de politiek. Politiek, zag hij toen, was voor de hogere klasse puur een kwestie van taalkundige retoriek, van debat, van uitwisseling van gedachten, een manier om privileges veilig te stellen. Voor zijn ouders was het een zaak van overleven. Links liet hen in de steek. De geschiedenis van zijn jeugd, schrijft hij, is de geschiedenis van woede.

De moderne belofte

De diepe woede van Edouard Louis heeft grote overeenkomsten met die van de Indiase essayist Pankaj Mishra, van wie onlangs Tijd van woede. Een geschiedenis van het heden verscheen. Mishra neemt de verdeelde moderne wereld onder de loep, schrijft hij in zijn voorwoord, ‘vanuit het perspectief van diegenen die er laat op hebben aangehaakt en zich achtergesteld of naar de achtergrond verdrongen voelen’. Mishra kijkt vooral naar Azië en naar de manier waarop Europa de culturele en politieke ontwikkelingen in dit deel van de wereld heeft beïnvloed. Het gaat hem om de opkomst van een commercieel-industriële beschaving in het Westen, het bijbehorende economisch liberalisme en ‘de reproductie ervan elders in de wereld’.

Illustratie Anne van Wieren

Maar toch. We moeten ons afvragen, schrijft Mishra, of voor miljoenen jonge mensen de moderne belofte van vrijheid en welvaart valt waar te maken. ‘Werken de hooggestemde axioma’s van individuele autonomie en het nastreven van eigenbelang die door een bevoorrechte minderheid zijn geformuleerd, geheiligd en bevorderd voor de meerderheid in een overvolle, samenhangende wereld? Of zijn jongeren van nu, zoals zovele Europeanen en Russen in het verleden, gedoemd te laveren tussen wraakfantasieën en een gevoel tekort te schieten?’ Het zijn, indirect en anders geformuleerd, dezelfde vragen die Louis in zijn werk stelt.

Stoomtrein

Waar Edouard Louis zijn eigen leven extrapoleert, gebruikt Mishra vaak grote woorden en laat hij zijn persoonlijke vormende ervaring grotendeels weg. Bij een recent bezoek aan Amsterdam liet hij zijn favoriete filmfragment zien: een stukje uit Panther Panchali van de Indiase regisseur Satyajit Ray, uit 1955. Het zijn zwart-witbeelden van spelende kinderen in velden waar de grassen manshoog staan en waar de moderne wereld binnen komt denderen in de vorm van een stoomtrein. Als de trein voorbij is blijven enorme zwarte wolken omineus hangen. Dit is de wereld waarin Mishra opgroeide.

Mishra keek al vanaf zijn eerste boek kritisch naar de culturele en economische expansie van het Westen. In zijn eerste essay, Butter Chicken in Ludhiana: Travels in Small Town India (1995), waarschuwt hij voor de gevolgen van de globalisering en de imitatie van het Westen. Waarom zouden landen als Nepal, Tibet en Afghanistan moeten moderniseren op de manier waarop dat in het Westen gebeurt? Je creëert er alleen maar kanslozen mee, betoogde hij in Temptations of the West. How to Be Modern in India, Pakistan and Beyond.

In zijn nieuwe boek doet hij er nog een schepje apocalyps bovenop, hij spreekt van ‘barbaars geweld in Oekraïne, het Midden-Oosten, zelfmoordaanslagen in België, Xinjiang, Nigeria en Turkije, Florida, Dhaka en Nice’, van ‘economische, financiële en cyberoorlogen’. Om te concluderen dat ‘toekomstige historici zulke onsamenhangende onrust heel goed als de opmaat naar [...] een wereldwijde burgeroorlog’ zouden kunnen beschouwen. Hier vliegt Mishra, in zijn overdrijving, uit de bocht. Hij mept zo hard dat het niet meer aankomt.

Veel effectiever in zijn betoog zijn de verwijzingen naar literaire meesterwerken. Flaubert, Rimbaud, D’Annunzio, Heine, Baudelaire en Camus passeren de revue. Hun personages, hun gedrag – D’Annunzio als de bedenker van de groet met de gestrekte arm! – illustreren zijn betoog sterker dan abstracte sociologische of politiek-filosofische begrippen. Heeft hij het over ressentiment, een cruciaal begrip in zijn boek, dan analyseert hij Rousseau of citeert hij Camus. En wil hij beweren dat ‘mensen die geloven in een hooggestemd ideaal van persoonlijke vrijheid en soevereiniteit [...] vervallen in redeloze moordzucht en paranoïde opstandigheid’ als ze worden geconfronteerd met een andere werkelijkheid, dan doet hij dat via Dostojevski. Mishra refereert vaak aan literatuur, antenne van de samenleving, om geweld te illustreren, onzekerheid en het gevoel dat ‘iemand op elk moment iets kan overkomen’.

Zwijgen wil hij

Precies dat is wat de verteller van Louis’ Geschiedenis van geweld overkomt: tegen iedere verwachting in verandert zijn nachtelijke minnaar in een angstaanjagende moordenaar. Zwijgen wil hij over wat hem is overkomen. Maar zijn vrienden vinden dat hij aangifte moet doen. Dan is hij gedwongen voor wisselende gesprekspartners – van politieagenten die het verbaal opmaken tot de arts die aan de hand van zijn verwondingen moet vaststellen of hij niet liegt – steeds weer hetzelfde pijnlijke verhaal te doen. In zijn roman kiest hij een verteller, zijn zus, die zijn relaas aan haar man vertelt, terwijl hij zelf aan de deur luistert.

‘Het is een autobiografisch boek’, zei Louis in een interview, ‘maar ik ben niet de verteller’. Dat is een mooie literaire constructie, die hem in staat stelt zelf te zwijgen en toch zijn verhaal te doen. Bovendien kon hij zo spreektaal in het boek brengen, de taal van zijn dorp, van zijn klasse en hoefde hij zich niet te bedienen van de ‘taal van de bourgeoisie’. Het is het argument dat ook Franstalige auteurs uit voormalige koloniën, zoals Alain Mabanckou, Dany Laferrière en Emmanuel Dongala, vaak gebruiken. Ze rekken het Frans op, stoeien ermee, verrijken het met uitdrukkingen uit hun geboorteland. Zo verkrijgen ze hun literaire autonomie en blijven ze weg van slachtofferschap, van een besmette relatie met de voormalige kolonisator.

„Zodra er sprake is van geweld”, zei Louis op de website Un philosophe, „is er stilte. Elke keer als een auteur schrijft over vervolgden, over overheersten, of het nu Toni Morrison is, Annie Ernaux of Ta-Nehisi Coates, krijgt hij/zij het verwijt zich als slachtoffer te presenteren”.

Toen Louis zijn eerste manuscript opstuurde, schreef hij in The New York Times, kreeg hij van uitgevers het antwoord dat hij overdreef: een dergelijke armoede zou niet meer voorkomen in het hedendaagse Frankrijk. „Ik las dat antwoord meermalen en stikte van woede en wanhoop. De verklaring was tragisch maar eenvoudig: het leven dat ik gekend had, het leven dat mijn moeder en vader nog steeds leidden terwijl ik dit schreef, was zo volstrekt afwezig in het publieke discours dat zij die zo’n leven níét leidden, dachten dat het niet bestond.”

Zowel Tijd van woede als Geschiedenis van geweld gaan over gevoelens van wrok, jaloezie en uitsluiting. Aan het slot van zijn proloog schrijft Mishra dat ‘materialistische analyses die zich beroepen op abstracties van land en kapitaal en die door middel van statistiek, kwantitatieve sociologie en historicisme’ verkregen zijn, onmisbaar blijven. Maar uiteindelijk, geeft hij toe, gaat het om ‘de analyse van de ondeelbare mens, met zijn angsten, zijn verlangens en zijn verbolgenheid’. De lakens die walgend en bevend naar de stomerij worden gebracht, die kopie van poging tot doodslag in een jaszak – ze behoren bij uitstek tot het domein van de fictie.