Recensie

Van zo’n wereld moet je wel gek worden

Mariana Enriquez

De verhalen van Mariana Enriquez voeren je mee in werelden van verbeelding en hallucinatie, die je toch als écht blijft accepteren.

Illustratie Paul van der Steen

Het gaat niet goed tussen Miguel en Paula in het verhaal De patio van de buurman. Zij lijdt aan depressies sinds ze als welzijnswerkster een aan haar toevertrouwd meisje heeft verwaarloosd en daarom is ontslagen. ‘Dat was de reden waarom hij niet meer naar haar verlangde’, denkt Paula. ‘Omdat hij een te duistere kant van haar had gezien.’

Om die duistere kant draait het in elk van de twaalf verhalen in de bundel Dingen die we verloren in het vuur, waarmee de Argentijnse schrijfster Mariana Enriquez – met al een handvol romans en verhalenbundels op haar naam – internationaal doorbrak. Of het nu gaat om meisjes die zichzelf verminken door zich in brand te steken, om de spookachtige verschijning van een sinds lang gestorven kindermoordenaar, zelf nog een kind, om een vrouw die verliefd wordt op een ontvleesde schedel of een man die de wereld alleen nog ziet via de verschrikkingen van het Deep Web: geruststellend is de werkelijkheid bij Enriquez nooit.

Steeds huizen vlak onder de oppervlakte spoken uit het verleden: ‘de duistere kant van het trotse Argentinië’, zoals een van de figuren uit Enriquez’ verhalen dat noemt. Op willekeurige momenten kunnen die spoken de kop opsteken. In de koortsachtige fantasie van haar (bijna steeds vrouwelijke) hoofdpersonen of in de werkelijkheid zelf – dat is in haar verhalen moeilijk uit elkaar te houden.

Zijn de mannen die een paar meisjes zien in een nachtelijk hotel dat ooit een politieschool was geweest spookachtige verschijningen uit het gewelddadige verleden van het land? Is de onuitstaanbare echtgenoot die spoorloos verdwijnt uit een hotel door het landschap opgeslokt of weet zijn vrouw er meer van? Is het straatjongetje dat in het schrikwekkende openingsverhaal verdwijnt slachtoffer geworden van sadistische satanisten, of verbeeldt de buurvrouw die zich over hem ontfermde zich dat maar?

Hopen rottend vlees

Zo vormt ook de duistere kant van Paula een mengsel van realisme en hallucinatie. Vanaf haar dakterras meent ze in de patio van de buurman een kind te zien dat daar zwaar vervuild en geketend wegkwijnt. Wanneer ze bij de buurman inbreekt, slaat haar een walgelijke stank tegemoet. In een keukenkastje vindt ze hopen rottend vlees vol witte maden, ‘de maden van de ontbinding’. Ook het jongetje vindt ze terug: in haar eigen slaapkamer. Enriquez suggereert dat het daarna slecht met haar afloopt, maar hoe houdt ze in het ongewisse.

Het knappe van deze verhalen is dat ze de lezer aan de ene kant meevoeren in werelden van verbeelding en hallucinatie, maar hij die niettemin als volkomen écht blijft accepteren. De vervreemding van het horrorgenre blijft uit; de lezer hoedt zich er wel voor ze af te doen als grotesk of lachwekkend, wat bij horror altijd op de loer ligt. Hoe vreemd het vertelde ook mag zijn, het vliegt hem naar de keel – zelfs wanneer hij niet goed weet wat hij ermee aan moet.

Hoe vreemd het vertelde ook mag zijn, het vliegt hem naar de keel

Want waar gaan deze verhalen eigenlijk over? Soms valt er de schaduw van de Argentijnse juntajaren overheen, maar hoogstens lichtjes: veel van de vrouwen en meisjes in wier geest Enriquez kruipt, hebben er alleen van horen zeggen nog weet van. Indringender is de morele verwording van de Argentijnse werkelijkheid van vandaag, met haar junkies, drank- en drugsmisbruik, gratuit geweld en alomtegenwoordige dreiging. Is het een samenleving waarin je wel gek móét worden, zoals Enriquez’ protagonisten bijna allemaal in meer of mindere mate zijn? Sluimert vlak onder de alledaagsheid de hel, waarin zij verhaal na verhaal afdalen?

Neem Einde van het schooljaar, waarin een scholiere in de ban komt van een klasgenote die zichzelf misvormt. Ze trekt haar eigen nagels en hoofdhaar uit, en tenslotte haar wimpers. Ze wordt ertoe gedwongen door een man, een geest, een obsessieve gedachte, biecht ze ten slotte op. Gedwongen waartoe? ‘Daar ga je nog wel achter komen.’ Maar de daad is al bij het woord gevoegd. De vertellende scholiere tast naar de wond die zij zichzelf de vorige avond heeft toegebracht.

Ze trekt haar eigen nagels en hoofdhaar uit, en tenslotte haar wimpers

Te midden van succesvolle, jonge Latijns-Amerikaanse auteurs als de nogal onvolgroeide Aura Xilonen, de postmodernistische Alejandro Zambra, Valeria Luiselli en Diego Zúñiga onderscheidt Mariana Enriquez zich door de impact van haar proza, dat zelfs de krachtproef van de gekte schitterend doorstaat.

Vergelijkbaar is ze in dat opzicht met haar landgenote Samanta Schweblin, die in haar verhalenbundel De mond vol vogels en recente roman Gif met al even bevreemdende verhalen het ongeloof van de lezer moeiteloos overwint. Zo onzeker als de betekenis van hun vertellingen ook mag zijn, zo onontkoombaar houden zij de lezer in hun ban en zo aanhoudend blijven zij in zijn herinnering rondspoken. Een beter bewijs van overtuigend schrijverschap is moeilijk te vinden.