Recensie

Nina Simone bestond uit vier vrouwen

Nina Simone

Eigenlijk wilde Nina Simone klassiek pianist worden. Maar met haar jazzy soul werd ze tegen wil en dank de stem van de burgerrechtenbeweging. Uiteindelijk kreeg ze het onvoorwaardelijke respect dat ze wilde.

Nina Simone in 1994. Eind jaren tachtig bereikte ze een nieuw publiek door een liedje in een reclame. Carol Friedman/Corbis/Getty

In 2001 gaf Nina Simone in Carnegie Hall in New York een van haar laatste optredens. Als kind had ze ervan gedroomd om in die zaal Bach en Beethoven te spelen. In 1963 was het zover: Nina Simone in Carnegie Hall. Niet dat ze toen Bach of Beethoven speelde, daarvoor was er te veel gebeurd sinds haar jeugd. In plaats van klassiek pianist was Simone (1933-2003) een beroemde jazz-zangeres en -pianiste geworden.

Haar terugkeer daar, in 2001, was een poging om dat geluksmoment van 1963 nog eens te beleven. In zekere zin lukte dat. Ze werd onthaald als de grote ster. Dat ze moe, bijna op was, maakte voor de waardering van het publiek niet uit. Er werd geklapt en gejuicht omdat ze een ster was, niet vanwege haar daadwerkelijke prestatie. En dat was wat Nina Simone eigenlijk haar hele leven had nagestreefd: onvoorwaardelijk respect, liefst ontzag, voor wie ze was. En dat kreeg ze, op een moment dat ze te ziek was om nog een fatsoenlijk optreden te kunnen geven.

Pianojuf

Het is een ontluisterend einde aan een ingewikkelde carrière en een nog veel gecompliceerder leven – koel, maar daarom des te effectiever opgeschreven door de journalist Alan Light (1966) in zijn biografie What Happened, Miss Simone (gebaseerd op het onderzoek voor de gelijknamige documentaire).

Simone, als Eunice Waymon geboren in Tryon, North-Carolina, was voorbestemd om de muziek in te gaan. Haar pianojuf was dol op haar en koesterde haar talent. Maar uiteindelijk kwam het niet tot bloei: ze werd niet toegelaten op het Curtis Institute of Music in Philadelphia. Over de reden van de afwijzing doen verschillende verhalen de ronde: racisme, opperde Simone zelf meestal. Maar hoewel klassieke muziek in die tijd een witte aangelegenheid was, studeerden er wel degelijk zwarte studenten aan Curtis, en in Simones jaar waren er 72 kandidaten voor slechts drie plekken. Light suggereert – heel voorzichtig – dat ze misschien niet goed genoeg was om het als klassiek concertpianist te maken. Het feit dat ze als student al zo veel plezier had in improvisatie, doet vermoeden dat ze het bij het Curtis Institute misschien wel goed gezien hadden: Simone paste veel beter bij de populaire muziek. Ze gebruikte haar klassieke achtergrond wel, zowel in haar unieke manier van spelen als bij het repeteren: ze drilde haar band zoals ze zelf gedrild was door haar pianojuf. Tot stomme verbazing van de musici moesten ze passages tientallen malen herhalen als het niet naar de zin was van Miss Simone.

Ondanks haar successen – ze kreeg met vanzelfsprekendheid optredens en maakte vele platen – bleef ze haar hele leven het gevoel houden afgewezen te zijn. Wat voor een zwarte vrouw in de hoogtijdagen van segregatie geen onlogisch gevoel was. Maar ze verzette zich en werd een belangrijke stem in de burgerrechtenbeweging. Aanvankelijk tegen wil en dank, maar na verloop van tijd met steeds meer overtuiging. Haar liedje Mississippi Goddamn was niet mis te verstaan.

Maar ze verzette zich ook steeds vaker tegen haar publiek, en kon ontploffen als ze het gevoel had dat ze niet werd gerespecteerd. Ze was op het podium volkomen haar onberekenbare zelf. Als ze het naar haar zin had, waren haar optredens indrukwekkend, maar menig optreden sloot ze voortijdig af met een scheldkanonnade, zeker als de zaal overwegend wit was.

Ze zocht haar rust buiten Amerika: een reis naar Afrika voelde als een wedergeboorte, in Barbados was ze bijna met het staatshoofd getrouwd, in Nederland was de nuchtere en toegewijde vriend Gerrit de Bruin iemand die haar het gevoel gaf dat ze op waarde werd geschat, naar Liberia ging ze op aanraden van Miriam Makeba, in Zwitserland ging het weer mis met drank en drugs. De laatste tien jaar van haar leven woonde ze in Frankrijk.

Zelfportret

Alan Light vertelt het verhaal in een hoog tempo, maar vertraagt ook op het juiste moment. Zo analyseert hij uitgebreid het liedje Four Women – over vier vrouwen die elk op hun eigen manier worstelen met de erfenis van de slavernij. Light maakt aannemelijk dat het een gecompliceerd zelfportret van Simone is (die ooit in een geestig moment van zelfreflectie opschreef: ‘Stel je eens voor dat iemand zes of zeven persoonlijkheden heeft? Is de psychiatrie bereid ze allemaal te behandelen?’)

De agressieve manier waarop Simone waardering eiste, maakte haar kwetsbaar en werd uiteindelijk haar ondergang. Een amateurpsycholoog zou daaruit ook het huwelijk met Andrew Stroud kunnen verklaren: een relatie die begon met een afschuwelijke mishandeling, waarna ze met hem trouwde en een dochter kreeg. Ook de verhouding met haar was ingewikkeld: eigenlijk al haar relaties waren ingewikkeld. Ze vertrouwde niemand, en al helemaal niet zichzelf.

Eind jaren tachtig bereikt Simone opeens een nieuw publiek, omdat een van haar vroegste liedjes, My Baby Just Cares For Me, in een reclamespot terechtkwam, en daarna een wereldhit werd. Ze had de rechten voor haar vroege werk dertig jaar eerder voor een paar duizend dollar verkocht, maar een gehaaide advocaat wist er alsnog een goeie deal uit te slepen. En, minstens zo belangrijk, ze kon opeens weer veel gemakkelijker zeer goed betaalde optredens krijgen. Fysiek was ze daar echter nauwelijks meer toe in staat, wat resulteerde in optredens als dat in Carnegie Hall, waarin ze zich op commando liet toejuichen: I’ll take that applause. Het was niet meer nodig om iets bijzonders te presteren. Dat had ze in haar leven al meer dan genoeg gedaan.