Hoe Mozart en trommels mensen in vervoering brengen

Muziek!

Muziek brengt mensen in (religieuze) extase. In West-Afrika, waar trommelaars contact leggen met geesten, in West-Europa waar liefhebbers via Mozart ontzag voelen voor een bezielend wezen.

Arjen Born

Veel hedendaagse zangers en zangeressen begonnen hun muzikale leven in de kerk of in de tempel. Muziekstijlen als jazz en soul wortelen in Afro-Amerikaanse gemeenten die ’s zondags hun geloof belijden in spirituals en gospelsongs. In die zwarte kerkmuziek klinkt nog de verre echo van Afrika, waar de voorouders met trommels, zang en dans de goden aanriepen.

Muziek en religie hebben al heel lang een nauwe band. Volgens de Javaanse mythologie zijn de metalen percussie-instrumenten van het gamelan-orkest geschapen door de god-koning Sang Hyang Guru om boodschappen uit te sturen naar de andere goden. Aan Codarts, het Rotterdamse conservatorium met een befaamde afdeling Wereldmuziek, onderwijst een pandit (hindoeïstische leraar). De tempel is immers de bakermat van de Indiase muziek.

Sommige richtingen in het christendom en de islam waren wel eens afkerig van muzikale geloofsuitingen, omdat die zouden appelleren aan ‘lagere driften’, maar dat duurde nooit lang. Want muziek, in de vorm van samenzang, ritmisch handgeklap, een fuga op het orgel of een indringende raga kan een religieuze ervaring oproepen, waardoor gelovigen zich één voelen met het hogere. Die sensatie van bovennatuurlijke aanraking openbaart zich in heel verschillende vormen: van extatisch dansen tot stille ontroering.

Opzwepend getrommel

De hevigste vormen van religieuze extase, opgewekt met muziek, vinden we in die gebieden van West-Afrika waar islam en christendom geen vaste voet hebben gekregen. Volken als de Ewe van Togo en de Fon en Yoruba van Benin zijn goeddeels nog animisten. Zij vereren de levende krachten in de natuur, verpersoonlijkt in talloze geesten en godheden. Die onzichtbare wezens worden op gezette tijden opgeroepen, met offers gunstig gestemd en om raad gevraagd.

De muziek heeft een geest, met wie ik een persoonlijke band kan hebben

In zulke rituelen worden percussie-instrumenten ingezet om het contact te leggen. Ieder wezen in het animistische pantheon heeft een eigen ritme. Het opzwepende getrommel brengt de aanwezigen in beweging en op den duur, al dansend, in een toestand van trance, wat volgens gelovigen betekent dat de aangeroepen geest of godheid in hen is gevaren. De muzikanten, specialisten in de vele complexe ritmes, blijven meestal bij hun positieven, hoewel ook zij een enkele keer zichzelf verliezen.

Arjen Born

Popjournalist Leendert van der Valk, gespecialiseerd in Afrikaanse en Afro-Amerikaanse muziek, ging „op zoek naar de goden in mijn platenkast” en beschreef die ontdekkingsreis in zijn pas verschenen Voudou – Van New Orleans naar Cotonou op het ritme van de goden. (besproken in deze krant op 23 juni 2017). Tijdens ontmoetingen met Afrikaanse artiesten op Europese festivals was tot hem doorgedrongen dat de muziek die hem zo lief is, van afrobeat tot funk, een religieuze oorsprong heeft. Hij ontdekte dat de polyritmiek die structuur geeft aan het complexe drummen in de rituele muziek van Fon en Yoruba „de basis is van vrijwel alle Afro-Caribische muziek”.

‘Duivelsdrums’

De connectie was de transatlantische slavenhandel. Togo en Benin vormden tot in de 19de eeuw de Slavenkust, waar inheemse potentaten gevangenen verhandelden aan Europese kopers. Zo bereikten de drumritmes waarmee West-Afrikanen contact legden met geesten en goden de Nieuwe Wereld. Die ritmes leven tot op de dag van vandaag voort in de muziek van de Afrikaanse diaspora. Op de plantages in het zuiden van de Verenigde Staten gold een verbod op de ‘duivelsdrums’ van de Afrikanen, maar de ritmes overleefden in het gesproken woord en in samenzang. Dat idioom zien we nog steeds in de zwarte kerkmuziek van het Amerikaanse zuiden: ritmisch handgeklap en een swingend vraag- en antwoordspel van predikant en gemeente.

Op het westelijk halfrond bestaan nog steeds Afrikaanse religieuze tradities, vaak vermengd met christelijke elementen. In dit religieuze syncretisme is de band tussen muziek en religie nooit verdwenen. De zwarte Cubaanse zanger Ibrahim Ferrer (1927-2005), die op zijn oude dag werd herontdekt en successen vierde met een band van Cubaanse oldtimers, was aanhanger van santería, Spaans voor ‘heiligenverering’. Dat is een mengvorm van Afrikaans animisme en rooms-katholicisme. In de documentaire Buena Vista Social Club van Wim Wenders (1999) zien we in een hoek van Ferrers zitkamer in Havana een heus heiligenbeeld. Hij vertelt dat hij er dagelijks rum, parfum en meringue, een zoete lekkernij, aan offert. Hij noemt zijn huisgod ‘Sint Lazarus’, voor katholieken de patroonheilige van de lepralijders, maar achter die bijbelse naam verschuilt zich Babalé-Ayé, een orisha (geest) uit het Yoruba-pantheon die een belangrijke rol speelt bij ziekte en genezing.

Bij de creoolse bevolking van Suriname en Brazilië zien we vormen van religieus syncretisme met een uitgesproken Afrikaanse inslag: Winti en Candomblé. Ook daar spelen percussie-instrumenten een hoofdrol in het ritueel, waarbij deelnemers in trance raken.

Arjen Born

Amerikaanse zendelingen van de Pinksterbeweging, die heel actief zijn in West-Afrika, leggen in hun evangelisatiewerk de nadruk op de strijd tussen God en Satan. Die laatste zou zich openbaren in de traditionele Afrikaanse religies. Net als de predikanten in het 19de-eeuwse zuiden van de VS beschouwen zij drums en trommels als diabolische instrumenten die de oude demonen rechtstreeks oproepen. Afrikaanse bekeerlingen geven dit zelf toe. Zij vertelden antropologe Birgit Meyer, hoogleraar religiestudies in Utrecht die onderzoek deed in Togo en Ghana, „dat zij zich door het simpelweg horen van bepaalde drums door geesten gegrepen voelden.”

Verlies van controle over het zelf

Volgens alle waarnemers van animistische rituelen in West-Afrika raken deelnemers in trance. Wat is dat eigenlijk voor een toestand? De Cambridge English Dictionary noemt het „een tijdelijke geestesgesteldheid waarin iemand niet bij volledig bewustzijn is en zichzelf niet onder controle heeft.” Wikipedia omschrijft trance als „een veranderd bewustzijnsniveau, waarbij iemand minder gevoelig is voor prikkels van buitenaf, maar niet bewusteloos is en ook niet slaapt. Het persoonlijke identiteitsgevoel kan verminderd zijn.”

Antropologen en etnomusicologen die studie hebben gemaakt van het West-Afrikaanse animisme en verwante vormen in de Afrikaanse diaspora, zoals Gilbert Rouget (1985), Judith Becker (2004), Richard Jankowsky (2007) en Bettina Schmidt (2016), hebben door drums opgewekte religieuze trance beschreven in zijn meest heftige vorm: geritualiseerd dansen, wilde gebaren, spreken in onbegrijpelijke taal. Deelnemers aan het ritueel raken de controle over zichzelf kwijt, het autonome zenuwstelsel neemt de aansturing van de ledematen over. Zij kunnen zich na afloop van het ritueel niets meer herinneren. Gelovigen schrijven dit gedrag toe aan een externe instantie – geest of godheid – die tijdelijk bezit neemt van het zelf.

Arjen Born

Psychologen schrikken terug voor het onderwerp omdat ze vrezen voor hun reputatie als ze zich verdiepen in dergelijke ‘hocus pocus’. Experimenten onder gecontroleerde omstandigheden zijn dan ook moeilijk uitvoerbaar en je kunt een danser in extase niet in de scanner leggen. Zo blijven we voor inzicht in religieuze trance aangewezen op etnografische beschrijvingen.

Toch zijn er ook minder uitzinnige, meer verstilde vormen van trance die zich wel degelijk laten onderzoeken. Iedereen die wel eens helemaal verdiept is in een boek kent het; je hebt even wat minder aandacht voor je omgeving. Ook als je vaak dezelfde weg aflegt in de auto of op de fiets treedt soms als vanzelf trance op: je merkt dan ineens dat je een heel stuk weg ‘gemist’ hebt. Het verschijnsel kan ook optreden bij langdurige herhaling van dezelfde beweging, dagdromen of intens luisteren naar muziek.

De Britse musicologe Ruth Herbert, verbonden aan de universiteit van Kent, doet in het grensgebied van musicologie en psychologie onderzoek naar alledaagse muziekbeleving. Zij stelt vast dat veel onderzoekers het ondergaan van muziek vooral beschrijven in termen van stemmingen en emoties. Volgens Herbert geeft dat geen volledig beeld van subjectieve muziekbeleving. Muziek, zegt zij, kan ook een ‘veranderde bewustzijnstoestand’ oproepen, een vorm van dissociatie. Dat is een term uit de psychologie voor het verschijnsel dat iemand de aandacht voor zijn omgeving verliest als hij heel geconcentreerd met iets bezig is. En dat, zegt Herbert, is een vorm van trance, zij het een vorm die afwijkt van de heftige, geritualiseerde varianten die we kennen uit antropologische beschrijvingen.

Arjen Born

Herbert verbreedt het begrip trance en rekent er zowel de ergotropische – opgewonden, fysiek actieve – als de trophotropische – rustige, verstilde – varianten toe. Zo bezien is trance geen exotisch fenomeen bij niet-westerse ‘anderen’, maar komt het ook onder westerlingen voor.

Gevoel van eerbied en ontzag

Herbert verwijst naar het werk van psychologisch antropoloog Erika Bourguignon (1924-2015), die veldwerk deed onder de Chippewa, een indiaans volk in Wisconsin, en in Haïti. Zij schreef al in 1973 dat veranderingen in bewustzijn verschillende vormen kunnen aannemen: „zowel individuele, ongestructureerde ervaringen als geestestoestanden die tot stand komen in cultureel gestructureerde en geïnstitutionaliseerde kaders.” Herbert: „In termen van muziekbeleving reken ik ervaringen van mensen die in hun eentje opgaan in het spelen van en luisteren naar muziek tot Bourguignons eerste categorie en de beleving van mensen die live concerten en kerkdiensten bijwonen tot de tweede.”

In hoeverre zijn zulke muziekbelevingen, individueel of in groepsverband, in rust of actief, nu religieus te noemen? Michael Graziano, hoogleraar neurowetenschappen aan Princeton University, wijdde enkele jaren geleden een blog aan de vraag ‘Waarom is muziek een religieuze ervaring?’ Daarin beschrijft hij zijn eigen muziekbeleving en duidt hij die in wetenschappelijke termen.

Luister

Een spotify-afspeellijst van blues tot Benin

„Wanneer ik luister naar bepaalde stukken muziek bekruipt me een gevoel van eerbied, van ontzag”, schrijft Graziano. „Ik zie geen enkele tegenstelling tussen mijn wetenschappelijke atheïsme en deze emotionele eerbied. Ik ben een biologisch wezen dat onderhevig is aan dezelfde emoties en affecties als anderen, maar ik ben als wetenschapper wel nieuwsgierig naar het verschijnsel. Tenminste één aspect ervan zou wel eens een verrassende basis kunnen hebben in de sociale machinerie van het menselijke brein.

Wezen dat de muziek bezielt

Graziano: „In complexiteit neigt het brein een bedoeling te zien. We zijn tenslotte sociale dieren, die in een complex gedragspatroon van anderen intentionaliteit vermoeden. Het gebied in het brein dat in het bijzonder is betrokken bij het veronderstellen van intenties bij anderen ligt dichtbij, en is waarschijnlijk verbonden met, de auditieve hersenschors.”

„Als ik naar Mozart luister, ervaar ik in de diepe logica van de muziek een aanwezigheid, een persoon. Niet die van Mozart, maar een wezen dat deze muziek bezielt. Het stuk heeft een waarneembare geest en ik heb het gevoel dat ik een persoonlijke band kan hebben met die geest. De sociale en emotionele machinerie van mijn brein is ingeschakeld. Mijn brein behandelt de muziek als een universum van complexiteit met zijn eigen godheid, waarvoor ik een zekere mate van eerbied en ontzag voel.”

De trance van animisten, opgewekt door opzwepende drums, past in het verwachtingspatroon van de gelovigen. Hij gehoorzaamt aan hun culturele theorie dat de drums de stem zijn van de geesten door wie deelnemers aan het ritueel tijdelijk bezeten raken. Hoe exotisch dit ook oogt en klinkt, toch is hun ervaring verwant aan die van de solitaire westerling die deze geloofsvoorstellingen niet deelt, maar wel eerbied voelt voor, en onbewust een bedoeling ervaart in een muziekstuk.