Recensie

Hoe Medea haar broer van het dek schraapt

David Vann

Klare lucht zwart hervertelt de mythe van Medea in een versie met veel nadruk op schepen en barbaarsheid. Een sterke maag is soms onontbeerlijk.

Foto iStock

Voor de volle appreciatie van David Vanns nieuwe roman Klare lucht zwart is op zijn minst een elementaire kennis van de Griekse tragedie van Medea nodig, want deze roman is een herschepping van dat verhaal. Het heeft een bijzondere structuur. Een onevenredig lang deel, ruim de eerste helft, is gewijd aan de tocht van de Argo waarmee Medea en Jason van Colchis (waar zij het Gulden Vlies hebben gestolen) naar het koninkrijk Iolkus varen, dat aan Jason beloofd is. Achternagezeten door haar vader, koning Aietes, gooit zij stukken van de door haar vermoorde broer Apsyrtus in het water, in de zekerheid dat zijn bloed het water zal verdikken en de voortgang van haar vader zal vertragen.

Wie A Mile Down heeft gelezen, een van de minder bekende boeken van Vann (ondertitel: Het waargebeurde verhaal van een rampzalige carrière op zee) zal zich niet eindeloos verbazen over deze ongewone opbouw, want die kent diens fascinatie voor schepen. Vann (1966) liet er zelf een bouwen in Turkije en heeft, blijkens het voorwoord van Klare lucht zwart, meegewerkt aan de reconstructie van een antiek Egyptisch zeilschip waarmee hij de Rode Zee bevoer en dat ‘hoogstwaarschijnlijk het type schip’ van de Argo zal zijn geweest.

Vanns hervertelling is geschreven in een gedurfde lyrische toonzetting: hier en daar krachtig en meeslepend, maar door het veelvuldig weglaten van werkwoorden ook af en toe moeilijk leesbaar. Zie hier de openingszinnen: ‘Haar vader een gouden gelaat in duister. In fakkellicht verschenen boven het water en weer vervaagd. Gelaat van de zon, afstammeling van de zon. Verraad en woede. Vier pluimen langs zijn masker, uiteenspattend licht, als manen.’

Zoals bij de meeste eerdere boeken van Vann is hier en daar een sterke maag nodig. Hoe Medea de niet weggegooide restanten van het lijk van haar broer met een houten lepel van het dek schraapt, is nog te lezen als een soort schoonmaakklus: ‘Ze wrikt het tussen hout en vlees om wat zijn borstkas geweest kan zijn los te maken. Ergens daarbinnen een verrot, vervloeid hart. De lepel komt omhoog, glanzend van het slijm, de stank is te sterk. Medea braakt over de zijkant en zet haar werk voort. Smaak van gal.’

Maar de horreur is bijna onverdraaglijk wanneer Vann een essentiële scène beschrijft: de moord die Medea initieert op Jasons oom Pelias. Nadat deze Jason het recht op zijn troon heeft geweigerd, toont zij aan Pelias’ dochters valselijk hoe zij hun oude vader weer kunnen verjongen. Ze hakt hiertoe een oude ram in dertien stukken, en tovert een jong lam tevoorschijn uit de kookpot waarin de resten pruttelen.

Datzelfde kan ook met de oude heerser gebeuren, zo maakt zij de dochters wijs, die vervolgens hun vader vermoorden en hetzelfde lot laten ondergaan als de ram. Peisidike, een van de dochters, ‘kan zich nu door de laatste slierten ingewanden heen werken, de laatste strengetjes spier die zijn heupen en kruis met zijn rug verbinden. Ze zet zich aan haar taak. Ze knielt naast hem, zodat ze het lemmet van een mes onder zijn ballen kan steken. […] Peisidike glijdt met tong en tanden langs zijn slappe scrotum, op zoek naar de twee ballen, vindt ander nat vlees tot ze het eerste bolletje naar binnen zuigt en erop bijt, kokhalst, het in de ketel spuwt.’

Ook voor het vervolg van het verhaal volgt Vann de mythe door de ogen van de verdoemde, maar onbuigzame Medea. Nadat Jason haar, ‘de vrouw die hem een last is geweest’, heeft verlaten voor de jongere Glauke, dochter van Kreon, neemt Medea wraak door Glauke én Kreon te laten doden. Kreons soldaten hebben het vervolgens op haar zoons voorzien, om de dood van hun koning te wreken door Medea te straffen. De nietsontziende Medea is ze voor: ze doodt haar eigen zoons.

Een wonderlijke, barbaarse vertelling die door veel lezers als een buitenbeentje in Vanns oeuvre zal worden gezien, maar niet door hemzelf, immers: ‘Al mijn romans zijn Griekse tragedies’, schrijft hij in een nawoord.