Recensie

Handen als spiegel van de ziel

Tentoonstelling Een maffe kitschbank en twaalf schilderijen: het werk van Jana Euler lijkt moeiteloos, maar erachter schuilt perfectionisme.

Ben je als kunstenaar opgeleid aan de Städelschule in Frankfurt, dan ken je ze allemaal. Alle mensen die een Documenta of Biënnales hebben geleid, school maken in de kunstfilosofie, geweldige kunst produceren of gewoon kolossaal beroemd in ’t veld zijn. Al die groten der aarde geven (gast)les aan de Städelschule. Het is dus niet zo raar dat een jonge kunstenaar die aan de academie studeert, ook dáárover iets zegt: over het netwerken, het ons-kent-ons, de imposante, bijna bedreigende aanwezigheid van al die beroemde namen.

Zo althans vergaat het de Duitse kunstenaar Jana Euler (1982), die in 2008 als schilder afstudeert in Frankfurt. Haar debuuttentoonstelling in 2009 in Wenen hangt vol met smeuïg geschilderde portretten van beroemde leraren als Wolfgang Tillmans en Daniel Birnbaum. Opvallend in die portretten zijn de armen en vooral de handen van de geportretteerden, die de kijker als tongen van een reuzenhagedis tegemoet schieten op zoek naar een prooi. Die handen zijn, in die eerste schilderijen van Euler, veel meer dan de ogen, de echte spiegel van de ziel.

Brede motieven

Het is sindsdien rap gegaan. Eulers schilderijen zijn complexer geworden, maar niet minder leesbaar. Hun aantrekkingskracht schuilt in de dynamiek, het knallende kleurgebruik (roze naast pimpelpaars en fluorescerend groen), de vele lagen en verhaallijnen waaruit ieder schilderij is opgebouwd, en het vreemde perspectief: alsof je in een bonkende centrifuge probeert je navel én je eigen opengesperde mond tegelijk vast te leggen. Groot formaat wordt niet geschuwd, voor meerluiken deinst de nog best jonge kunstenaar niet terug.

Kenmerkend is haar brede scala aan motieven, vrijmoedig opgediept uit de kunsttheorie, religie, de wereld van het klatergoud, gebruiksvoorwerpen, dieren, nephippies en geestverruimende middelen. Eigenlijk zijn haar schilderijen één grote trip.

Dat blijkt opnieuw in het Stedelijk Museum in Amsterdam, waar Euler in het kader van de reeks Stedelijk Contemporaries – een serie tentoonstellingen van kunstenaars die in de jaren tachtig van de vorige eeuw zijn geboren – de hele Erezaal mag vullen. Dat is geen geringe uitdaging, en een minder getalenteerde kunstenaar zou gaan twijfelen, terugkrabbelen of met iets geforceerds over de brug komen. Zo niet Euler.

Zij doorsnijdt de ruimte met één reusachtig lange, maffe kitschbank en twaalf schilderijen, waarvan één uit elf schilderijen bestaat en als een klassiek fries de achterste, lange muur van de zaal in beslag neemt. Dit veelluik, After Supper – een portrettengalerij van naakte mannen en vrouwen die tot aan hun hals in het water op barkrukken hangen – is nieuw gemaakt voor de tentoonstelling. De vroegste schilderijen dateren uit 2013.

Euler begint vaak met een achtergrondvertelling van paintbrush, met daarbovenop talloze transparante lagen acryl. Voorstellingen lopen in elkaar op, verstoppen zich achter elkaar of springen pront op de voorgrond. Het lijkt alsof Euler moeiteloos schildert, maar achter die moeiteloosheid schuilt, zo vermoed ik, een perfectionistisch verlangen naar tot op de vierkante centimeter uitgedachte composities. Het resultaat is een illusionisme waar je niet naar kijkt, maar waar je in rondloopt, -kruipt en -zwemt; waar je kortom volslagen deelgenoot van wordt.