Doodsangst is het niet zozeer, wel respect voor de val

Tour de France

Het was de week van de vlakke marathonetappes en de verwachte massasprints. Met doodsverachting gooiden sprinters zich in de strijd om dagsucces, niet zonder gevolgen. „Adrenaline neemt het over.”

De Franse sprinter Nacer Bouhanni Foto Jelle Vermeersch

Ietwat versuft komt John Degenkolb uit de ploegbus van Trek-Segafredo gestapt. Zijn nek zit vol met zwart sporttape om het beschadigde weefsel bijeen te houden. Letsel dat hij dinsdag opliep toen hij over Mark Cavendish heen buitelde na diens gewraakte aanvaring met Peter Sagan. „Ik ben naar omstandigheden okay”, zegt de Duitse sprinter op lome toon. „Ik kan alleen niet aan mijn stuur trekken, en ik kan ook niet hard op mijn pedalen duwen. Dus meesprinten zit er voorlopig niet in.”

Het is donderdagochtend in broeierig Vesoul, en Degenkolb bekijkt de Tour van dag tot dag. Zijn AC-gewricht is uit de kom geschoten – het puntige gedeelte tussen sleutelbeen en schouder – en dat doet leunend op een stuurpen van carbon enorm veel pijn. Hij mag niet nog eens vallen. Maar aan het eind van de dag werpt Degenkolb zich gewoon met een leeuwenhart in de massasprint: in Troyes wordt hij tiende, vrijdag zelfs vijfde. ‘s Ochtends had hij gezegd: „Angst ken ik niet. Als sprinter calculeer ik de risico’s in, de schade die ik op kan lopen neem ik voor lief. Zodra ik de finale rijd, kom ik in een andere wereld. Ik denk dan niet meer, ik reageer op intuïtie. Maar ik heb wel respect. Respect voor de val.”

Het is een cryptische manier om te zeggen: vallen in volle sprint hoort bij dit vak. Maar er zijn wel degelijk renners in het peloton die zich, ook al moeten ze er in de Tour dagelijks aan geloven, een stuk minder makkelijk door het doolhof van nerveuze lichamen bewegen, terwijl ze op topsnelheid en in diepe vermoeidheid na dagen van meer dan 200 kilometer proberen rotondes en opstaande pootjes van dranghekken te ontwijken.

De Nieuw-Zeelandse renner Greg Henderson gaf in de populaire Tour-podcast van Lance Armstrong toe dat hij tussen de vijf en twee kilometer voor de finish doodsbang is, als de sprinttreinen zich allemaal als op hol geslagen machines naar voren proberen te werken. ‘Sprinters do get scared’, schreef hij in een bericht aan Armstrong via Twitter. ‘Maar als je in de positie komt om te winnen, neemt de adrenaline het over. Je bent je niet meer bewust van je angst. Dan rijd je op instinct’, aldus de voormalig leadout – lees laatste wagon voor de sprinter die moet winnen – van de Duitser André Greipel.

De verleiding is groot om te denken dat het sprinten met de jaren gevaarlijker is geworden, met de snoeiharde crash van Cavendish – hij brak daarbij zijn schouder – vers in het geheugen. Rond de eeuwwisseling was Mario Cipollini de enige met eensprinttrein, dus hij kreeg ruim baan. Nu is het dringen geblazen. En dan, in de laatste honderden meters van een sprint, lijkt het er soms wel op dat de sprinter met de minste angst de wedstrijd wint, of in het geval van Kittel de sprinter die dankzij bijzondere fysieke eigenschappen uit het gedrang kan blijven. Wie durft kopstoten uit te delen, met zeventig kilometer per uur tegen een andere renner aan te leunen, met als inzet een plek in de annalen van de Tour?

Plank voor hun kop

„Maar hard tegen hard in de sprint is van alle tijden”, zegt Martin Bons, die vlak voor de Tour het boek De kunst van het sprinten publiceerde. „Jan Janssen heeft altijd gezegd: ‘Een voorzichtige sprinter wint nooit’. Sprinters hebben gewoon een enorme plank voor hun kop.” Bons roept de valpartij van Wilfried Nelissen in herinnering, die in de Tour van 1994 met Laurent Jalabert in de massasprint op een fotograaf botste. „Die klap was zo hard, dat Wilfried zich er niets meer van kon herinneren. De volgende keer sprintte hij gewoon weer mee.”

En ook Kittel, alweer winnaar van drie etappes deze Tour, gaf donderdag in Vesoul aan niet bang te zijn: „Ik denk gewoon niet aan wat er kan gebeuren.” De Noor Alexander Kristoff zei later die dag iets soortgelijks. Hij was zojuist vierde geworden, en legde het ruimschoots af tegen Kittel: „Natuurlijk ben ik bang. Maar dat probeer ik er niet te laten zijn.”

Dat is de kennelijk het mentale trucje voor de sprinter: wat geen ruimte krijgt, bestaat niet. Kittels teammaat in de sprinttrein Matteo Trentin: „Als ik bang zou zijn, zou ik het gewoon niet doen. Vallen hoort bij mijn werk.” Hij ook al met een kapotte heup en pleisters op armen en vingers na een valpartij in de slotfase van die veel besproken vierde etappe, een val die trouwens door een cameraatje onder het zadel perfect terug te kijken is.

Het mooie is wel dat je in een opeengepakt peloton overal stootkussens hebt.

Stoere kerels, die sprinters en leadouts. „Maar naarmate ze ouder worden en kinderen krijgen, worden ze wel banger, en geven ze dat ook toe”, zegt wielerschrijver Bons. In zijn boek staat te lezen dat de Duitse oud-sprinter Erik Zabel sinds twee jaar niet meer op de finish gaat staan kijken naar de verrichtingen van zijn zoon Rick, deze Tour leadout van Kristoff maar nu en dan ook zelf in de rol van afmaker. In plaats daarvan gaat Zabel in de laatste bocht staan, gewoon, omdat hij bang is zijn zoon te zien vallen. En Greg Van Avermaet zei woensdag in Het Laatste Nieuws : „Ik kan meedoen bij snelle aankomsten, maar ik durf gewoon niet. Als je neergaat kan het ook het einde van je carrière zijn.”

Grote valpartijen met botbreuken en ander letsel zorgen er natuurlijk niet voor dat een sprinter met een veilig gevoel op zijn fiets gaat zitten. Tom Steels, oud-sprinter en nu ploegleider van Kittel: „Na een flinke valpartij is een massasprint rijden niet zo evident meer.”

Bekendste voorbeeld daarvan is Tom Boonen, die al in 2011 aangaf dat hij niet graag ‘in het gewriemel zit’ tijdens een sprint. In het laatste jaar van zijn loopbaan zocht hij zelfs een sportpsycholoog op die hem moest afhelpen van de angst in een sprint. Boonen viel in de Tour van Abu Dhabi in 2015 zo hard op zijn hoofd dat hij een schedelbreuk van vijftien centimeter opliep. Dat in combinatie met de geboorte van zijn tweeling maakte dat hij massasprints voortaan overliet aan de mannen met doodsverachting.

De Duitser Marcus Burghardt heeft een tussenweg gevonden. Anders dan andere sprinters laat hij zich, ook al is zijn rol van leadout voor Peter Sagan een van de gevaarlijkste, niet in de situatie meezuigen. Hij blijft geconcentreerd. „Ik probeer in een massasprint de balans te vinden tussen risico en veiligheid. Dat betekent dat ik rem als dat nodig is, waar andere jongens dat niet doen.”

Dun laagje lycra

Ook Ben Swift, sprinter van UAE-Team Emirates, smakte hard tegen het asfalt dinsdag. Hij was het die op volle snelheid over de stuiterende fiets van Cavendish vloog. Twee dagen later heeft hij nog steeds het gevoel dat hij dagen achter elkaar in de sportschool heeft gezeten – zijn schouders doen pijn, zijn buikspieren, zijn rug. Hij vindt dat hij er nog goed van af is gekomen, als hij bedenkt dat hij slechts gekleed in een dun laagje lycra in aanraking kwam met smeltend asfalt. „Ik denk dat iedereen bang is in een massasprint”, stelt de 29-jarige Brit, pas vader geworden van zijn eerste zoon. „Voor een sprinter staat er alleen een veel grotere beloning te wachten dan voor een knecht. Winnen of een schouderklopje, dat is toch een andere inzet. Dus is een sprinter bereid meer risico te nemen.”

Swift zegt eigenlijk wat al zijn collega’s zeggen: „Op het moment dat je gaat nadenken over de gevaren, ben je klaar. Het is een knop die je om moet zetten. Maar je wil echt niet weten wat er in een sprint allemaal gebeurt. Het is gewoon doodeng als je met zeventig per uur andermans wiel aanraakt. Het mooie van een opeengepakt peloton is wel dat je overal om je heen stootkussens hebt. Ellebogen van collega’s hebben me meer dan eens overeind gehouden.”

Schrijver Martin Bons had afgelopen dinsdag voor het eerst het gevoel dat hij niet langer naar een massasprint wilde kijken, terwijl hij er zo ontzettend van houdt. Zijn vriendin had gezegd: „Is vallen niet juist de charme van de wielersport?” Voor de leek misschien wel, denkt Bons, want valpartijen zijn spectaculair. „Maar ik houd mijn hart vast. Het is wachten op het eerste dodelijke ongeval in de sprint.”