“Als we niet gaan lopen, komen we hier nooit meer weg”

Smokkelaars en migranten

Het aantal migranten dat via de oude routes door de Sahara naar Libië reist is aanzienlijk gedaald ten opzichte van vorig jaar. Maar het succes van de samenwerking tussen de Europese Unie en Niger heeft een hoge prijs. Het waargebeurde verhaal van 2 migranten uit Guinee.

Thermo Amadou (rechts) en Diallo Mamdou Djuldé (links). Ze zijn door hun smokkelaar op weg naar Libië achtergelaten in de woestijn, en zijn met ieder 10 liter water, 9 dagen terug naar Agadez gelopen. Foto Sven Torfinn

Ze hadden de hele nacht doorgereden. De chauffeur van de Toyata Hilux 4×4 moest vol op het gaspedaal trappen om door het rulle Sahara-zand te komen in het grensgebied tussen Niger en Libië. Thermo Amadou uit Guinee (25) zat achter op de rand van de pickup, tussen 24 andere migranten die met hem meereisden.

NRC studio

Plots stond de auto stil. De chauffeur verontschuldigde zich: ze hadden te veel kilometers omgereden en de diesel was bijna op. Hij moest bijtanken als ze de grens met Libië wilden halen. Daarom vroeg hij zijn passagiers om uit te stappen. Het zou niet veilig zijn om met volle lading naar de hoofdweg terug te keren, waar de chauffeur wist dat hij brandstof kon vinden. De politie en geheime dienst arresteerden smokkelaars met volle lading daar tegenwoordig onherroepelijk. „ Ik ben zo terug”, verzekerde de chauffeur.

Het bleef even stil achterin. Toen stond de eerste op en klom de auto uit. De meesten volgden.

De Senegalees Pap Djah. De Gambiaan, Lamavana. En de anderen van wie Thermo Amadou niet de naam maar alleen het land van herkomst kende: de dunne uit Burkina Faso, de twee Malinezen, Pappi, de grote Congolees. En Diallo Mamadou Djuldé, zijn kleine landgenoot uit de hoofdstad Conakry. „Doe nou wat hij zegt”, fluisterde die.

Thermo Amadou bleef zitten. De discussie die volgde, werd afgekapt door Pappi, de Congolees. „Als we hier nog lang blijven praten, zijn we zo allemaal dood”, zei hij. „Laat die chauffeur gaan en we wachten.” Pappi was de sterkste van de groep, hoekige schouders, armen als hefbomen. Met zijn allen keken ze de grote stofwolk van de Toyota Hilux na tot hij uit het zicht verdwenen was. Het was elf uur in de ochtend. 43 graden. Agadez lag een dag rijden achter hen, Libië twee dagen rijden voor hen.

Ze keken naar voren: zand. Rechts: zand. Links: zand. En achter hen: het spoor van de Toyota Hilux .

Ze wachtten een etmaal. Er waren geen bomen om te schuilen, alleen korte struikjes. De meesten sliepen wat, hun hoofd op de achtergelaten bagage.

De chauffeur keerde niet terug. Toen nam Pappi opnieuw de moeilijkste beslissing: „Als we niet gaan lopen, komen we hier nooit meer weg.” Ze keken naar voren: zand. Rechts: zand. Links: zand. En achter hen: het spoor van de Toyota Hilux .

In deze laadbak van een auto liggen nog de jerrycans van migranten, in iedere auto werden 25 migranten vervoerd. Foto Sven Torfinn

Mobiele telefoons had de smokkelaar bij vertrek in beslag genomen, staande praktijk in smokkelhoofdstad Agadez. Ieder had tien liter water bij zich, verdeeld over twee jerrycans van vijf liter die met een touw aan elkaar vast zaten en die je over je schouders kon hangen. Zo besloten ze te gaan lopen. Thermo Amadou voorop, samen met Pappi.

Die voetreis zou 9 dagen duren. Amadou overleefde. Anders had hij dit niet kunnen navertellen, hier in Agadez, waar de huizen tot enkele maanden geleden vol zaten met migranten. Anders had ook de kleine Diallo Mamadou Djuldé niet naast hem gezeten, met zijn holle ogen.

Migranten opgepikt door de Nationale Garde, die zijn aangetroffen buiten Agadez.Foto Sven Torfinn

Alleen een buskaartje

Dit was niet de reis die ze beloofd was, toen ze uit Guinee vertrokken. Amadou had weinig om voor thuis te blijven. Zijn vriend Messi, („zo noemen we hem”) had hem vanuit Frankrijk moed ingepraat. In Ecowas, het regionale samenwerkingsverband van West-Afrikaanse landen, kun je vanuit Guinee ongestoord de grens van Mali en Burkina Faso passeren. Al wat je hoeft te laten zien is je identiteitskaart en een buskaartje. Dan sta je in 4 dagen in Agadez. Daarna is het hooguit 8 dagen naar Lampedusa. Dat is wat Messi had gezegd.

Wat ze Thermo Amadou niet hadden verteld is dat in Agadez, de smokkelhoofdstad van West-Afrika, alles in de afgelopen maanden is veranderd. De politie knijpt niet langer een oogje toe, zoals ze tegen een kleine betaling altijd deden. Er kijken nu geheim agenten mee. De Nigerese politie wordt nu getraind door het Europese agentschap EUCAP, dat in Agadez een bunker heeft gebouwd en agenten leert hoe ze smokkelaars en hun klanten moeten arresteren.

Instructeurs van EUCAP, een programma van de Europese Unie, leren politie-agenten in Niger de nekklem, eventueel te gebruiken bij de arrestatie van mensensmokkelaars. De Europese Unie probeert door middel van trainingen de veiligheidsdiensten in Niger te versterken in de strijd tegen georganiseerde misdaad en migranten-smokkel.
Foto Sven Torfinn
Instructeurs van EUCAP, een programma van de Europese Unie, leren politie-agenten in Niger de nekklem, eventueel te gebruiken bij de arrestatie van mensensmokkelaars. De Europese Unie probeert door middel van trainingen de veiligheidsdiensten in Niger te versterken in de strijd tegen georganiseerde misdaad en migranten-smokkel.
Foto Sven Torfinn

Niger is het armste land van Afrika, maar krijgt uit Brussel het meeste geld per hoofd van de bevolking: opgeteld meer dan een miljard euro. Ingeklemd tussen buurlanden waar jihadisten steeds meer terrein opeisen is Niger Europa’s laatste hoop om de trek naar de Middellandse Zee te stoppen. Niger is een gewillige partner voor Europa, zoals de ambassadeur van de EU in de hoofdstad Niamey, Raul Mateus Paula, zegt. „De Nigeresen snappen dat veiligheid en ontwikkeling hand in hand gaan.” De Internationale Organisatie voor Migratie bevestigde onlangs het succes van die samenwerking. In de maand mei telde de organisatie op de oude smokkelroute nog maar 7000 migranten die vanuit Agadez naar de grens met Libië vertrokken. Vorig jaar reisden zeker tien keer zoveel migranten vanuit Agadez naar Libië.

Niger is het kruispunt van de Sahel. De Nigeresen migreren zelf nauwelijks, en al helemaal niet naar Europa. Ze verzorgen al eeuwen het vervoer, dwars door de Sahara. Vroeger was dat zout, goud of slaven. Met zijn huizen van zand en oude 15de-eeuwse moskee, gebouwd door Ottomaanse slavenhandelaren, was Agadez lange tijd een toeristische trekpleister. Dat stopte abrupt toen de regering, vanwege de rebellie van Toeareg-nomaden, Agadez tot een no-go voor Westerlingen verklaarde. De voormalige toergidsen gingen massaal migranten rijden.

Lees ook het stuk dat correspondent Bram Vermeulen vorig jaar schreef over mensensmokkelaars in de Sahara: De veermannen van de Sahara

Wat ze de twee reizigers uit Guinee evenmin hadden verteld, is dat de smokkelaars van Agadez woedend zijn. Zeker honderd smokkelaars zitten in de gevangenis van Agadez. De politie nam in korte tijd zoveel Toyota Hilux terreinauto’s in beslag dat de smokkelaars naar het hoofdbureau van de politie marcheerden en dreigden met bestorming. Sindsdien staan hun auto’s, met lege banden, op de basis van het leger.

„Ze hebben Agadez de nek omgedraaid”, zegt Bachar Ama. Hij is hoofd „van de lijn”, zoals hij zelf zegt, zeg maar leider van de vakbond voor smokkelaars. „Er komt een miljard euro uit Brussel naar Niger maar wij hebben nog niks gezien.” Smokkelaars streken wekelijks twee tot drie miljoen CFA op, zo’n 5000 euro. Maandag was vertrekdag, de smokkelaars reden in convooi met een escorte van het Nigerese leger tegen bandieten. Het was een systeem waar iedereen van profiteerde: de smokkelaars, de politieagenten en de migranten.

In de Sahara komt de dood ineens, met de woorden: „Ik kan niet meer”.

„Nu bieden ze ons eenmalig een uitkering van 800 euro, maar dan moeten we eerst een plan schrijven”, legt Ama uit. Wat kun je in Agadez beginnen met 800 euro, vraagt hij. „We kennen niks anders dan transport. Transport is ons leven.”

Veel jonge smokkelaars verkiezen het oude vak boven de weinig sexy ontwikkelingsprojecten waar de EU over spreekt: landbouw, uienteelt, metaalbewerking, zonne-energie. Uit angst om opgepakt te worden vermijden ze de vertrouwde hoofdweg die de waterputten tot aan Libië verbindt. In plaats daarvan rijden ze om. Daar is meer diesel voor nodig en meer water. Sommige smokkelaars raken de weg kwijt en komen om het leven met hun klanten. Velen laten de migranten achter om bij terugkeer naar de hoofdweg arrestatie te voorkomen. „Ze verbreken het contract dat ze hebben met hun klanten”, zoals Sadou Seleke zegt, de gouverneur van Agadez. Sinds begin mei werden al 760 mensen uit de woestijn gered. De nationale garde wordt nu vrijwel dagelijks gebeld met meldingen over achtergelaten migranten. „De smokkelaars hebben geen geweten meer.”

Gedesillusioneerde opgepakte migranten, die hun droom om naar Europa te komen zagen eindigen in de woestijn. Foto Sven Torfinn

‘De schuld van Europa’

„Het is allemaal de schuld van Europa”, verdedigen jonge smokkelaars zoals Agalith zich. Volgens zijn lezing worden de chauffeurs gearresteerd als ze extra water of brandstof gaan halen. „En dan blijven hun klanten in de woestijn achter.” Hij gooit een stapel paspoorten op de grond: allemaal klanten. „Allemaal dood. Dat hebben de Europeanen op hun geweten.”

Het zijn beschuldigingen die de stem van de ambassadeur van de Europese Unie in de hoofdstad Niamey doen overslaan. „Het zijn criminelen. Deze lui horen achter de tralies, en nergens anders.”

Van die discussies had Thermo Amadou geen weet toen hij in mei Guinee verliet, toen de boel in Agadez al op springen stond. In vol vertrouwen is hij op de pickup gestapt. En zelfs nadat ze waren achtergelaten in de woestijn, bleef hij optimistisch.

Hij marcheerde de eerste zes dagen voorop, met de Congolees Pappi aan zijn zij. Het touw met de twee waterbidons sneed iedere dag wat minder in zijn nek. Hij spaarde het water zoveel mogelijk. Maar niet iedereen dacht zo ver vooruit. Ze moesten delen, met steeds meer en steeds minder water.

Een uitgeputte man die zes dagen heeft gelopen.Foto Sven Torfinn

Op de zevende dag gaf de Senegalees Pap Djah op. „Laat mij hier maar achter”, smeekte hij. „Ik ben zo moe.” Ze hadden hem aangemoedigd, aan zijn armen meegetrokken. Toen dat niet meer ging heeft Pappi hem op zijn rug getild. Maar de lippen van de Senegalees waren droog als papier. Hij wilde geen water meer drinken, hoe ze ook aandrongen.

„Il faut me pardonner.” Dat is wat hij zei. „Jullie moeten me verontschuldigen.” Het waren zijn laatste woorden, voor hij levenloos ineen zeeg in het zand. „Il faut me pardonner”. Amadou herhaalt die woorden een paar keer. Ze malen door zijn hoofd. Hij huilde toen. Hij huilt nu.

Pap Djah is hem bijgebleven. Meer dan de anderen die Agadez ook niet haalden. Op de achtste dag hield ook de jongen uit Burkina Faso op. En daarna een tweede landgenoot uit Guinee. In de Sahara komt de dood ineens, met slechts een paar woorden: „Ik kan niet meer”.

In de achtste nacht, vroeg in de negende dag, vonden ze meer autosporen. Gebaande paden die de stad aankondigden. Toen: brandend licht in de verte. Agadez.

Pappi heeft zijn ouders gebeld en is teruggekeerd naar Congo. Thermo Amadou en Diallo Mamadou Djuldé werken nu in de bouw, tot ze genoeg geld hebben om terug te gaan naar Guinee. Hun chauffeur hebben ze nooit meer gezien.

Lees ook: Justitie Italië verdenkt ngo’s van hulp aan mensensmokkelaars in Libië, over vraagtekens die worden gezet bij de financiering van reddingsoperaties