Tijdens de zomer wandelen in Brabants blauw

In natuurgebied de Moerputten bij Den Bosch loop je door zeldzaam blauwgrasland, met om je heen het gefladder van pimpernelblauwtjes.

Illustratie Tjarko van der Pol

Blauw is de allerbeste vakantiekleur. De kleur van een tropische zee, van een wolkeloze lucht, van de daken op een Grieks eiland. Het paarsblauw van de lavendelvelden in de Provence, het diepe blauw van een bergmeertje in de Pyreneeën: stuk voor stuk zomerse tinten. Maar ook dichter bij huis is vakantiegevoel te vinden: in het korenbloemblauw van de Moerputten.

Hier, hemelsbreed nog geen drie kilometer van Den Bosch, is het rumoer van de stad ver weg. Het wandelpad ruikt naar kamille. Tussen de bloemen zoemen hommels.

‘Blues in the marshes’ heet het project dat Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, De Vlinderstichting, Waterschap Aa en Maas en de gemeente Heusden in 2012 begonnen. Blues slaat op het blauwgrasland dat de organisaties willen herstellen. In en rond de Moerputten is in 2018 ruim 170 hectare van dit zeldzame vegetatietype te zien. Plantensoorten als blauwe zegge en blauwe knoop geven het vochtige, voedselarme grasland een blauwe waas.

De Moerputten vormen met het nabijgelegen Vlijmens Ven en Bossche Broek een van de 165 Nederlandse Natura 2000-gebieden. Dit Europese netwerk van natuurgebieden werd 25 jaar geleden opgericht met als doel de afname van biodiversiteit tegen te gaan en steeds zeldzamer wordende natuurgebieden te beschermen en te ontwikkelen. Met succes, zoals hier in Noord-Brabant blijkt. De wandelaar is er omringd door prachtig groen. Tussen het gras groeien orchideeën, over het pad vliegen libellen. Het lijkt puur natuur, maar het nabijgelegen Vlijmens Ven was tot enkele jaren geleden nog landbouwgrond. „Het is veel sneller gegaan dan verwacht”, aldus Natuurmonumenten-beheerder Fons Mandigers. Er is onder meer maaisel van bestaande schraallanden uitgestrooid. Met het maaisel komen zaden en bodemdieren mee, die gunstig zijn voor het nieuwe gebied. Een deel van de wandelroute voert door dicht, groen, drassig bos – de naam Moerputten verraadt dat dit vroeger een veenmoeras was, waar turf (moer) gestoken werd. Inmiddels ligt er een pad van plankieren, om natte voeten te voorkomen.

Volg de NRC seizoenswandeling, met audiotour: ruik de kamille in Brabant

Natura 2000 is een van meerdere initiatieven in Nederland. Hier wordt het grootste deel van de natuur planmatig beheerd, veelal door Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en de provinciale Landschappen. Bijna alles is het resultaat van eeuwenlang ingrijpen: heidevelden, houtwallen, veenafgravingen. Nog maar 15 procent van de oorspronkelijke biodiversiteit is over, volgens cijfers van Natuurmonumenten. Ingrijpen vinden de beheerders nodig om te voorkomen dat soorten achteruitgaan – zo zijn 17 van de 71 soorten dagvlinders in Nederland verdwenen en is de helft zeldzaam tot zeer zeldzaam – en om de karakteristieke landschappen te behouden.

Zo ook in de Moerputten. Overhangende takken vormen een groene tunnel, die toegang geeft tot een imposant stuk blauwgrasland. Dit is het rijk van de meest bijzondere bewoner van de Moerputten: het pimpernelblauwtje.

Wie in dit gebied wandelt, wordt omringd door sereen blauw gefladder

In 1970 was deze dagvlinder in Nederland uitgestorven. De waardplant van de soort – de plant waarop de rupsen leven – is de grote pimpernel, die voorkomt in vochtig, voedselarm grasland. Maar juist dat grasland ging de vorige eeuw sterk achteruit door verdroging en verzuring. De grote pimpernel, te herkennen aan donkerrode, bolvormige bloemen, bloeide steeds minder frequent, en geleidelijk verdwenen de vlinders. In 1990 werden vanuit Polen 86 pimpernelblauwtjes in de Moerputten uitgezet. Inmiddels omvat de populatie jaarlijks tussen de 150 en 400 vlinders.

Het grasland oogt idyllisch, maar…

Wie in dit gebied wandelt, wordt omringd door sereen blauw gefladder. Het grasland oogt idyllisch, maar in werkelijkheid is dit het decor van een heftige strijd. Het pimpernelblauwtje kan namelijk niet bestaan zonder de moerassteekmier. Nadat de vlinderrupsen begin juli uit de eitjes zijn gekropen, omhullen ze de bloemen van de grote pimpernel met een spinselnet. Vanuit deze ‘hangmat’ doen ze zich tegoed aan de bloemen. Na een paar weken laten ze zich volgeknaagd op de grond vallen. Daar scheiden ze een suikerhoudend product af dat de moerassteekmieren lokt. Ook maken ze roffelgeluidjes en hebben ze net als de mieren een soort waslaagje van koolwaterstoffen om zich heen, waardoor de werksters hen aanzien voor mierenlarven. De rupsen worden meegesleept naar het nest en brengen daar de winter door. Ze verschuilen zich in een hoekje en gaan bij honger op rooftocht en verorberen mierenlarven. Na het eten van zo’n 250 larven barsten ze aan het eind van de winter bijna uit hun voegen. Ze verpoppen bovenin de mierenhoop, de vlinders kruipen uit de cocon en vliegen in de zomer het blauwgrasland in, op zoek naar een partner. Dat gebeurt vaak vroeg in de ochtend wanneer de mieren nog rusten, want eenmaal van zijn poppenhuid verlost is het pimpernelblauwtje ook zijn dekmantel kwijt – een vlinder die te traag is wordt door de mieren aangevallen.

Van al die gruweltaferelen is bovengronds niets te zien. De enige zichtbare parasieten zijn de muggen, op zoek naar bloed van kortgebroekte wandelaars. Muggen waren er ook de oorzaak van dat de aanleg van de 600 meter lange Moerputtenbrug, geopend in 1890, langer duurde dan verwacht: vanwege meerdere muggenplagen werd de bouw regelmatig stilgelegd. Maar uiteindelijk kwam de brug er, destijds pronkstuk van het 40 kilometer lange spoortraject, dat in de volksmond wel het ‘halvezolenlijntje’ werd genoemd – mogelijk omdat het treintje voortsukkelde.

Meer naar het zuiden toe voert de route nog langs een ander voormalig spoortracé: vlak naast het Drongelens Kanaal ligt Kamp Vught, in de Tweede Wereldoorlog het enige door de SS beheerde concentratiekamp in Nederland. In januari 1943 arriveerden de eerste gevangenen, die het kamp moesten afbouwen. Tussen januari 1943 en september 1944 zaten er zo’n 32.000 mensen; ten minste 749 overleefden het kamp niet. Veel gevangenen werkten in een vliegtuigsloperij. Wrakken werden per trein aangevoerd over een spoorlijn die doorliep tot in het kamp. De fundering van de lijn is nog ten dele te zien. In het voormalige kamp zijn nu een museum, een gevangenis (de zwaarbewaakte P.I. Vught) en een Moluks woonoord gevestigd.

In het aangrenzende natuurgebied Vughtse Lunetten herinnert de voormalige fusilladeplaats aan WO II. De Lunetten zelf stammen uit een andere oorlog: de vestingwerken werden aangelegd na de Belgische opstand, die in 1830 tot de onafhankelijkheid van België leidde.

Nu worden de Lunetten belaagd door andere vijanden: eikenprocessierupsen, die het hebben voorzien op bladeren van eiken. De haren kunnen bij mensen voor allergische reacties zorgen. Gelukkig ontpopt de rups zich in juli tot een onschuldige nachtvlinder, die lang zo imposant niet oogt als zijn verre verwant het parelmoerblauwtje.