Column

Roombotercroissant

Mijn vader wordt eind deze maand tachtig en op die leeftijd besta je tegenwoordig voor 85 procent uit lijf en voor de rest uit medicatie. Als ik kijk hoeveel pillen hij slikt, lijkt de farmaceutische industrie eerder op een taxidermische instantie dan op een geneeskundig instituut. Bloedverdunners, plaspillen en nog een handvol capsules om het feit dat mijn vader nog steeds de ene sigaret met de andere aansteekt te compenseren. Hij vindt het allemaal wel best, er zijn dagen dat hij de pillen vergeet en de volgende dag maar een hand extra neemt.

Toen ik dit vertelde aan een vriend, die onlangs een managementfunctie bij een grote medicijnenfabrikant opgaf om zich in te zetten voor een stichting die primaten helpt, kon hij een grimlach niet onderdrukken. „Het zal de industrie worst wezen of hij ze regelmatig neemt, áls hij ze maar neemt. Het gaat daar alleen om winst.”

Hij wilde net beginnen aan een relaas over de donkere kant (ik bedoel de nóg donkerder kant) van de geneeskunde toen een kennis van hem aanschoof op het terras: een jonge edelsmid die net haar eigen bedrijf in rouwsieraden was begonnen. Ze liet ons haar ontwerpen zien. Elegante ringen en armbanden waarin haarlokken en as waren verwerkt.

„En de zaken gaan goed zeg!”, glunderde ze. „Ik heb zelfs een assistent moeten nemen! Bakken met geld!” De vriend keek boos, wilde reageren maar ze werd gebeld, zei gedag en, woesj, ze was weer verdwenen.

Ik moest denken aan mijn eerste baantje. Toen ik zeventien was, werkte ik een tijd op de plaatselijke begraafplaats. Dat klinkt een stuk spectaculairder dan het was, want in de praktijk kwam het erop neer dat je bankjes schilderde, taxus snoeide en collega’s van bureau Halt tegenhield het strooiveld te stofzuigen. Wanneer er een begrafenis was, werd al het werk stilgelegd, want je wilt natuurlijk niet dat je bij je afscheid wordt gestoord door bladblazers of Sky Radio. Er werd voor een fortuin aan kransen en boeketten bij het graf gelegd.

„De bloemist laat voor rouwstukken een boeket drie keer over de kop gaan”, foeterde mijn voerman. „De klant durft er niets van te zeggen, want dan lijk je een eikel die meer met geld dan met de overledene bezig is.”

„En daarom,” zei de vriend toen ik hem dit vertelde, „zullen de farmaceutische en de doodsindustrie altijd winstgevend zijn. Want je wilt niet overkomen als iemand die beknibbelt op leven en dood.”

Peinzend dronk ik mijn thee. De gedachte dat op ziekte en sterven grote winsten worden gemaakt, is misselijkmakend.

De één zijn dood is de ander zijn roombotercroissant”, zei de vriend.