Middengroepen hebben vaker twee inkomens nodig

Rapport WRR Middeninkomens hebben vaker twee inkomens nodig om rond te komen en ze hebben vaker te maken met onzekerheid, zo blijkt uit een rapport.

Nederlanders met een middeninkomen. Lees de interviews onderaan het artikel. Fotografie Amaury Miller

Grote groepen Nederlanders in het maatschappelijke midden moeten steeds meer moeite doen om hun positie te handhaven. Dat leidt tot onzekerheid en vaak ook tot wantrouwen richting de overheid en andere groepen in de samenleving, zoals migranten.

Dat schrijft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in het woensdag verschenen rapport De val van de middenklasse? Het stabiele en kwetsbare midden. Het adviesorgaan onderzocht hoe het de Nederlandse middenklasse sinds de jaren zeventig is vergaan.

De WRR begint zijn rapport met een geruststellende mededeling: er is geen sprake van een „val of uitholling” van de middengroepen, zoals in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.

Dat daar in Nederland geen sprake van is, komt volgens de WRR vooral door de herverdeling in de Nederlandse verzorgingsstaat. Daardoor is het aandeel van de middeninkomens, op basis van de jaarlijkse netto-inkomsten, nauwelijks afgenomen: van 79 procent in 1990 naar 76 procent in 2014. Zonder die herverdeling zou de Nederlandse groep met middeninkomens wél fors zijn gekrompen.

De WRR, die Nederlanders in de middenklasse vergelijkt met fietsers, waarschuwt: „Zij moeten – om fietstermen te gebruiken – hard blijven trappen om niet om te vallen of achterop te raken.”

Middengroepen hebben vaker twee inkomens nodig om rond te komen. Zij hebben vaker dan vroeger te maken met tijdelijke dus onzekere arbeidscontracten. De beroepen van middelbaar opgeleiden worden steeds vaker uitgevoerd door hogeropgeleiden. ‘Diploma-inflatie’ noemt de WRR dat. Daarbovenop is de middenklasse meer tijd kwijt aan zorgtaken.

Mensen uit deze groepen zijn onzeker over hun toekomst en meer nog over de toekomst van hun kinderen. Dat is een breuk met het verleden, schrijft de WRR. Sinds de oorlog is er altijd een „diepgewortelde overtuiging” geweest van vooruitgang. En dan vooral het geloof dat „de kinderen het steeds beter zullen krijgen” dan hun ouders.

Uit die onzekerheid komt ook onrust voort: het gevoel dat de overheid niet genoeg doet voor het midden. De terugtrekkende overheid beschermt hen steeds minder, is het gevoel.

Middengroepen zijn bij verkiezingen vaker van politieke partij gaan wisselen, signaleert de WRR. Ook zijn middelbaar opgeleiden de afgelopen decennia kritischer geworden over de multiculturele samenleving en de open economie.

De WRR heeft het over drie soorten „middengroepen”, omdat de ‘middenklasse’ te heterogeen is om als één groep te definiëren. De WRR maakt een indeling naar opleiding, beroep en inkomen.

Qua opleiding gaat om mensen met een mbo-, havo- of vwo-diploma. Dat is een derde van de Nederlandse bevolking tussen de 25 en 65 jaar.

Middenberoepen zijn „routinematige dienstenberoepen” en hooggeschoolde handenarbeid, zoals administratief werk, verkoopwerk en landbouw. Ook deze groep beslaat ongeveer een derde van alle werkenden tussen de 25 en 65 jaar.

Middeninkomens hebben een netto huishoudinkomen tussen de 13.000 en 44.000 euro. Dat is 77 procent van alle huishoudens.

De WRR heeft een duidelijke boodschap voor de formatietafel. De politiek moet stimuleren dat werkgevers meer mensen in vaste dienst nemen en minder gebruik maken van flexibel werk. Voor flexwerkers moeten er meer zekerheden komen, zoals een collectieve arbeidsongeschiktheidsverzekering en minimumtarieven voor zzp’ers. Er moet geïnvesteerd worden in onderwijs, zodat middelbaar opgeleiden aan hun vaardigheden kunnen blijven werken. En de kinderopvang moet betaalbaar blijven.